Orde van Hingene

Erkende vereniging door de gemeente Bornem, Faro, Histories vzw en koepelorganisatie Heemkunde Gouw Antwerpen. Disclaimer - Recht op afbeelding - Recht op privacy

Neem contact met ons op

Barelveldweg 8 - 2880 BORNEM 0469 43 19 44 ordevanhingene@gmail.com contact@ordevanhingene.be

Onderwijs in de gemeente Hingene

G eschiedenis in een notedop De officiële school, of zoals de oude handvesten luiden, "het prochie schoolhuys en dien effecte gestelt aen den meulen van Wintham" , was bedoeld om "de jonckheyt soo van Haesdonck, Wintham als Eyckevliet te leere." Hier spreekt men van de " jonkheid ", wat jeugd betekent, van Hingene. Tot omstreeks het midden van de 18e eeuw, en vele jaren daarvoor, bestond in Hingene-dorp een vrije of zogenaamde parochieschool , die doorgaans bestuurd werd door pastoors, onderpastoors of kapellanen. Slechts in de wintermaanden werd er onderwezen aan de kinderen, en dit kon jaar in jaar uit sterk variëren. Omstreeks het midden van de 16e eeuw hielden de pastoors van Hingene, Jan Sterck , en de pastoor van Nattenhaasdonck, Jan Bailliu , school in hun beide parochies. In 1593 was Damianus Van Roye schoolmeester te Hingene; hij genoot een jaarwedde van 26 gulden (huidige waarde ongeveer 572,40 euro). In 1631 hield Judocus Van Campenhout er school en ontving 30 gulden per jaar voor het onderwijs aan de arme kinderen. In de tweede helft van de 18e eeuw hielden Jan-Philip De Backer en na hem Peeter-Jacobus Van Laeken zich bezig met het onderwijs te Hingene. Deze onderwijzers werden vaak, ook door de schrijver-onderwijzer Leopold Mees, bestempeld als vrije onderwijzers , die gewoonlijk door de heer van Hingene, hertog d’Ursel, werden benoemd. De school op de kouter van Wintam (Koningin Astridlaan) werd opgericht in het jaar 1646 . De oprichtingsdatum van de school kon men terugvinden in een betalingsbewijs, waaruit blijkt: "Schepenen der parochie ende heerlyckheit van Hinghene ordonneren Joos Vlamincx, ontvanger derzelve parochie, te betaelen aen myn Edele Heere graeve van Ursel, de somme van tsestich guldens voor thien s’jaers onquytbaeren cheyns ter cause vande erfvuytgevinghe van den grondt waer oppe het parochie huys de schole is gebaut, verschenen t’zedert Kersmisse 1646 tot Kersmisse 1655 beyde incluz, zynde de leste betaelinge gedaen aen Huybrecht De Munter tot Kersmisse 1645, mits t’zelve grondeken in zyn pacht metten meulen alsdoen was begrepen." Deze documenten geven ons een uniek inzicht in de vroege geschiedenis van het onderwijs in Hingene en tonen de belangrijke rol die lokale geestelijken en adel speelden in de oprichting en het onderhoud van scholen. De eerste onderwijzer in de nieuwe school was Pieter Verlinden . Echter, we mogen ervan uitgaan dat meester Verlinden zeer weinig les gaf, want in de loop van het jaar 1646 wordt hij reeds in de annalen genoemd als "lest afgegaen schoelmeestere" . Mogelijk was hij enkel werkzaam als hulponderwijzer onder het gezag van de kapellaan-koster-schoolmeester Jan Costerus , die in april 1672 overleed. Na Costerus had men de kapellaan-schoolmeester Gabriël Hadock of Van Hadock , die werd bijgestaan door Robertus Danckaerts , koster-kleermaker-schoolmeester. Hadock, nauwelijks in dienst, diende een klacht in bij de wethouders over een zekere Frans Geylen , die ook school hield in Wintam. De dorpsraad besloot dat Frans Geylen zijn onderwijspraktijken diende te staken met onmiddellijke ingang. Kapellaan Libertus Jaspaerts volgde Hadock op als schoolmeester en ontving van de gemeente 40 gulden per jaar voor het onderwijs aan de kinderen van ouders "levende op den armendisch" . Op 10 april 1720 verscheen hij op de vierschaar te Hingene, om de wethouders te spreken over de slechte staat van het schooldak, dat onmogelijk nog langer kon blijven liggen, "door de groote ondicghticheyt ende rotheyt van de latten, etc." Onze raadsleden, die zeer bekend waren met de toestand en wisten hoezeer het gebouw blootgesteld stond aan de hevige wind op de verhoogde koutervlakte, besloten dat men op zondag 14 april 1720, "naer de vesperen" de herstellingswerken in het openbaar zou aanbesteden. Of deze aanbesteding plaatsvond of er geen enkel aanbod werd aanvaard, blijft onbekend. Wel is het zo dat het jaar daarop nog geen enkel werk was verricht en het dak in zo'n erbarmelijke staat was dat het water er met bakken doorliep, waardoor het onmogelijk was in dit huis nog langer te verblijven als het regende. Uiteindelijk kwam men tot geen enkele overeenkomst voor herstel en de school stond er vervallen en bouwvallig bij, totdat men het in 1723 voor een termijn van drie achtereenvolgende jaren verpachtte, welke termijn begon te lopen half maart 1724 . In de voorwaarden van de pacht staat te lezen: "Item is conditie dat hy huerder schole hiele gehauden sal syn te leeren op synen koste d'arme kinderen van deze jurisdictie die een billiet sullen bringhen vanden arm meester. Depost is noch conditie dat den meulder vanden wintmeulen alhier sal vermoghen waeter te haelen uuyt den steenput binnen behoorelycken daeghe sonder contradictie van den huerder. Pachter bij slopslaege gebleven aen Franchois Cools de jonge van thien guldens tsjaers." Behalve de pachtsom van 10 gulden was de nieuwbakken schoolmeester Cools nog gehouden om de jaarlijkse belasting van zes gulden aan de hertog te betalen. De gemeente gaf nu de opdracht om de nodige herstellingswerken uit te voeren, waarna Cools het gebouw ging bewonen. De pacht deed dienst als school en onderwijzershuis, hetgeen in die tijden vaker het geval was. In het jaar 1736 verhuurde men de school-onderwijzerswoning aan Cools jaar na jaar, onder de voorwaarde dat hij de belasting en andere lasten betaalde en op zijn kosten zorgde voor kleine herstellingen aan het gebouw. De onderwijzers van toen waren zo toegewijd aan hun beroep dat ze er geld bij legden en bovendien lesgaven aan kinderen van ouders die van de openbare onderstand (vergelijkbaar met ons huidige O.C.M.W.) genoten. Al hun inkomsten bestonden uit het schoolgeld van de betalende leerlingen, dat een aanzienlijke som kon zijn, omdat er maar één school was voor een uitgestrekte gemeente zoals Hingene. Daarnaast verdienden zij bij met de verkoop van schoolbenodigdheden. Frans Cools overleed op 10 april 1753 . Tijdens zijn ziekte werd Jan Steenwegs als interim-onderwijzer aangesteld. Na het overlijden van Cools vroeg hij snel de openstaande positie van gemeenteonderwijzer aan. In zijn verzoekschrift aan de hertog van Ursel schreef hij: “…dat hij vijf successieve jaeren als ondermeester in het leeren lesen, schrijven ende onderwijsen de jonckheijt in de Roomsche Catholijcke religie heeft geweest in de wijtvermaerde school van Groot-Willebroeck…. Seer ootmoedelijck biddende ten fine UE. meergeseijde Hoogheijt aen sijnen onderdaen ende suppliant gelieve te vergunnen ende accorderen de vacante plaetse van het schoolmeesterschap van UE. hoogheijts jurisdictie van Hingene opde baten, proffijten ende Emolumenten gelijck de voorgaende schoolmeesters de selve hebben genoten ende met interdictie datter niemant in prejuditie van hem suppliant de selve functie van schoolmeester publicquelijck en sal vermogen te exerceren binnen Hingene, Haesdonck, Wintam ofte Eyckervliet sonder prealabel consent van syne meergemelde hoogheijt, t’is te gratie." – Joannes Steenwegs. De benoeming werd door het college van baljuw, burgemeester en schepenen goedgekeurd en bekrachtigd als volgt: "Bailliu Borgemeester ende Schepenen der parochie ende heerelijckhede van Hingene in aenmerking nemende de doodt van Francies Cools gewezen schoolmeester deze parochie, hebben het selve schoolmeesterschap vande selde hunne parochie ende heerelijckhede geconfereert aen Joannes Steenwegs omme by hem soo lange hij het selve wel ende loffelijck sal commen te exerceren (bezig houden) bedient te worde op den voet ende prerogativen (voorrechten) van het parochie schoolhuijs gelijck het door den voornoemden Francies Cools is gebruijckt geweest, mits bij hem Steenwegs het selve parochie schoolhuys onderhaudende van nootsaeckelijcke reparatien ende betaelende den cheijns, ende dat hij de kinderen van de gonne levende op den armendisch gratis sal moeten leeren, wel verstaende nochtans dat hij de selve functie van schoolmeester niet en sal vermogen te exerceren ten sij al vooren geexamineert sijnde soo bij den deken ofte aertpriester van het district annopende sijn religie als bij den officier principael annopende (aangaan(de)) sijn comportement (gedrag) alles in gevolge haere Majesteit Maria Theresia van Oostenrijk placcaeten op het fait vande schoolmeester geammanneert." Voorgaande geschriften tonen duidelijk hoe de benoeming van een onderwijzer in onze gemeente geschiedde. Er werd van hem geëist, zoals elders in het land, dat hij een goed gedrag had, een geloofsbelijdenis aflegde voor de deken van het district en de eed deed om geen "ghereprobeerde oft suspecte boecken noch anderssins schadaleux wesende, te sullen leeren ofte voorlesen." Dit stond zo genoteerd in artikel 33 van de ordonnantie van 19 mei 1570 . Een akte van 7 juli 1761 leert ons dat de ooster- en zuidergevel van de school toen nog van leem gemaakt waren. Steenwegs diende zijn klachten in bij de dorpsraad over de slechte staat van deze gevels en over de zolderverdieping, waar men op sommige plaatsen doorheen kon trappen. Uiteindelijk kreeg hij twee stenen muren en een nieuwe zolder. Deze werken werden in september 1761 uitgevoerd en de kosten liepen op tot 112 gulden en 19¼ stuks (huidige waarde ongeveer 1.177,61 euro). In 1772 kreeg het gebouw een nieuw strooien dak, samen met wat nodig metselwerk. Uiteindelijk kostten deze werken 290 gulden en stuks (huidige waarde ongeveer 2.400,23 euro). Deze sommen werden betaald uit de gemeentekas. Steenwegs nam vrijwillig ontslag op 8 november 1769 en werd opgevolgd door Anthonij Coomans , die reeds op 26 oktober 1769 door Karel, hertog van Ursel , was benoemd. In zijn plaatsaanvraag lezen we dat hij reeds acht jaar schoolmeester was te Oppuurs, maar woonachtig was in Hingene en dagelijks heen en weer moest reizen. Hij onderwees, zoals zijn voorgangers, enkel de christelijke leer, het lezen en schrijven. In die tijd leerden de leerlingen niet veel vakken op school, en in 1769 was het er nog niet beter op geworden. Methoden en leermiddelen ontbraken gewoonweg. Het onderwijs, als men het zo mocht noemen, was zeer eentonig en traag. Leopold Mees beschreef het in zijn boek als het gezang van een koekoek en het nooit rustende gejoel van de kleine bengels, dat de meester verveelde tot hij er van ging geeuwen. Af en toe sprong hij op om een schelm met de stok of de martinet (gesel) een stevige afranseling te geven. Er werd soms stevig op de schoolkinderen geslagen, zoals de boer op zijn graanbundels slaat. Dit kan overvloedig bewezen worden door allerlei gerechtelijke onderzoeken en de vonnissen die op onze vierschaar werden geveld. Wij schrijven hier enkele uittreksels neer: Gillis Boey seght dat hy van den meester is met syn hair vast gepackt ende hem soodaenigh heeft geslaegen dat desselfs rugge gequetst was ende desselfs hemde daerinne was geplackt ende dat om redenen hij eenen andere jongen eene lap heeft toegebracht, den gonnen denselven Boey op desselfs rugge hadde beschreven met een masselcole.” Frans Seps seght dat de meester sekeren Cornelis geslaegen heeft, ende voorders met syn hair getrocken dat de clissen in syn handen bleven hangen.” Een andere jongen was thuisgekomen “al bloeiende ende seggende als dat den meester met synen stock in desselfs hair gedraeit synde syn hair uit syn hooft heeft getrocken et het vleesch ende vel.” Een zekere Carolus Muyshondt verklaart dat de meester zijn zoon “met desselfs hair vastgepackt ende uyt de scool gesleken ende gesnockt heeft.” Verkopen van de Gemeenteschool in Hingene in 1792 Op de vergadering van wethouders, notabelen en gelanden, gehouden op maandag 17 september 1792 , werd voorgesteld en goedgekeurd om de gemeenteschool openbaar te verkopen. De opbrengsten hiervan zouden worden gebruikt “en de penningen daer van voortskomende te employeren soo ende gelyck men het voordeeligste sal oordeelen.” Waarom deze maatregel? Omdat “mits de doodt van Anthonij Coomans gewesen parochie schoolmeester he schoolhuys comt ledig te staen ende binnen korten tijd van jaeren eene groote reparatie sal moeten geschieden aen het parochie schoolhuys.” De verkoop ging uiteindelijk niet door dankzij het hevige verzet van de heer van Hingene, Wolfgang-Willem van Ursel . Op 6 december 1792 benoemde hij de koster van Nattenhaasdonk, Petrus-Joannes Van der Kinderen , als schoolmeester. Na Van der Kinderen werd Adriaan De Smet in 1798 benoemd tot schoolmeester. Het onderwijs bleef beperkt tot enkel het leren lezen en schrijven. Door decreten van 17 maart en 17 september 1808 waren de onderwijzers verplicht een som van 400 frank te storten om gedurende tien opeenvolgende jaren een school te mogen houden. Voor Adriaan De Smet was dit echter onmogelijk vanwege zijn armoede. Daarom zocht hij raad bij meier Karel van Ursel . Deze schreef op 6 november 1808 een brief aan de onderprefect van Mechelen om een jaarwedde te begroten, en dit werd goedgekeurd. Schoolmeester Adriaan, zoals men hem noemde, bleef zo in het onderwijs. Het volk had hem lief om zijn nauwgezetheid en onpartijdigheid. Hij had de naam van ‘dichter’. Dit ondervonden de verloren-maandag-vierders, die liever voor het vermaak kozen dan voor hun aanwezigheid op school. De volgende dag dienden zij als straf het volgende gedicht te schrijven: Die verloren maendag vieren, Zoeken elders hun pleizieren, Met twee schaverdynen aen, En zy lachen met myn vermaen. Het leven van onderwijzer Jan-Christinus Naulaerts en Adriaan De Smet in Hingene Het leek dat deze onderwijzer voor ongeluk en strijd geboren was. In het jaar 1820 woonde in Eikevliet Jan-Christinus Naulaerts , die daar school hield. Hij had met goed gevolg zijn examen afgelegd voor de provinciale jury en werd door deze toegelaten voorlopig het ambt van gemeenteonderwijzer te vervullen in de gemeente. Op 5 april 1820 benoemde de raad hem ter vervanging van De Smet, die geen getuigschrift van bekwaamheid bezat. Naulaerts zou een jaarwedde van 141 gulden en 75 cent genieten, evenals kosteloze huisvesting in het schoolgebouw. Voor dit alles moest hij kosteloos zorgen dat de arme kinderen onderwezen werden. Het schepencollege zou de school-onderwijzerswoning in goede staat van onderhoud stellen. De benoeming van Naulaerts en de afzetting van Adriaan kwamen bij deze laatste hard aan. Alle inwoners, zelfs enkele raadsleden die alleen gehandeld hadden op aandringen van de onderprefect van Mechelen, kregen medelijden met Adriaan. De onderprefect van Mechelen oefende, onder het Frans-Napoleontische bewind , het oppertoezicht uit over het onderwijs en de onderwijzers. Toch vond men in Hingene een manier om beide onderwijzers te bevredigen, behalve waarschijnlijk Naulaerts. Op 21 juni vergaderde de municipale raad en wijzigde hun vorige beslissing. Men nam de anciënniteit van De Smet, die reeds 21 jaar goede dienst had verricht, in overweging en stelde vast dat er genoeg werk was in Hingene voor twee gemeenteonderwijzers . Adriaan De Smet mocht in het onderwijs werkzaam blijven. Van de jaarwedde van 300 Franse frank, die eerst aan Naulaerts toegestaan was, zou ieder de helft genieten. De Smet bleef het onderwijs in Wintam geven en Naulaerts in Eikevliet, waar de gemeente hem een huis en een school zou bezorgen. De groep schoolgaande kinderen groeide zo snel onder het meesterschap van Adriaan De Smet, dat in 1824 de grootste ruimte in zijn huis te klein werd en hij genoodzaakt was leerlingen in de keuken te plaatsen. Uiteindelijk besloot de gemeenteraad op 3 november 1825 een som van 1662 gulden en 55 cent te verlenen om deze te investeren in de bouw van een nieuwe school in Wintam. Op 16 februari 1827 ontving de gemeenteraad van Hingene een brief van de commissaris van het district met maatregelen tot het verbeteren van het schoolwezen. Besluiten van de gemeenteraad en de bouw van de nieuwe school De raad besloot op 20 februari 1827 het volgende: 1 . In de loop van dit jaar zal een nieuwe school gebouwd worden naast de oude, aangezien deze locatie ongeveer het middelpunt van de gemeente is. 2 . Aan de bestaande school zullen verbeteringswerken worden uitgevoerd, en het gebouw zal vervolgens alleen als onderwijzerswoning dienen. 3 . Alle uit te voeren werken zullen openbaar aanbesteed worden. 4 . De gemeente zal hiervoor een som van 3170 gulden en 38 centen uittrekken. 5 . De burgemeester en de assessoren zullen met de schoolopziener overleggen betreffende de aanschaf van schoolmeubelen, enzovoort. In oktober 1827 bracht de gemeente haar bijdrage op 4000 gulden en de provincie zou 800 gulden verlenen. De school werd in 1828 gebouwd, samen met de kerk van Wintam. Frans Drossaert , een bouwkundig ingenieur en tevens ook een inwoner van Hingene, tekende het plan voor de school. Karel-Lodewijk Goossens (geboren 8 augustus 1803 te Mariekerke) was de eerste onderwijzer van de nieuwe gemeenteschool . Hij werd tijdelijk benoemd op 3 juni 1828 . Terwijl men bezig was met het bouwen van het huis en het schoolgebouw, onderwees hij enige tijd in de woning van de heer De Pooter, niet ver van de school gelegen. Voordat Goossens begon in de nieuwe gemeenteschool, was hij ondermeester in Puurs en had hij tijdens de laatste paasvergadering van de provinciale commissie een getuigschrift van “schoolonderwijzer” verkregen. Zijn eerste jaarwedde bedroeg 142 gulden, en hij moest vanzelfsprekend de arme kinderen kosteloos onderwijzen. Het jaar daarna, in 1829 , werd zijn jaarwedde verhoogd naar 200 gulden omdat hij een ondermeester nodig had, die hij van zijn eigen karige loon diende te betalen. In 1833 werd hij vergoed aan 64 centiemen per leerling per maand, en verviel zijn vaste jaarwedde. Een Koninklijk Besluit van 31 december 1832 verleende hem voor dat jaar een toelage van 250 frank, onder de voorwaarde dat hij minstens twintig kinderen gratis onderwijs gaf. Deze som ontving hij ook in 1833 . Hij werd voor een bepaalde duur benoemd op 8 december 1834 . Bouwvallige onderwijzerswoning en veranderingen in het onderwijzerskorps Langzamerhand was de onderwijzerswoning zeer bouwvallig geworden. In 1844 tekende bouwmeester Drossaert een plan voor een nieuwe woning waarvan het bestek opliep tot 4000 frank, maar dit plan werd niet uitgevoerd. Op 10 maart 1849 werd Hendrik Van Kerckhoven hulponderwijzer bij Goossens, maar hij gaf al snel zijn ontslag in 1851 . Op 10 september 1851 werd hij vervangen door Frans De Pooter . Op 3 februari 1852 benoemde men Siccard , uit Schelle, tot ondermeester. Deze benoeming was controversieel; hij werd benoemd met vier stemmen tegen zeven blanco stemmen van raadsleden die een hulponderwijzer onnodig vonden. Bij de vergadering van 26 februari 1852 werd dit besluit herzien, en men besloot met zeven stemmen tegen drie dat er geen hulponderwijzer nodig was, omdat de school weinig bezocht werd door kinderen uit Hingene-dorp en Eikevliet. Nieuwe scholen en onderwijzers Op 5 maart 1853 hielden de raadsleden een belangrijke vergadering en besloten om in elke dorpskern een nieuwe school te bouwen. Op 26 november van datzelfde jaar benoemde men Lodewijk Gillis uit Willebroek, gediplomeerd aan de normaalschool van Lier, tot hulponderwijzer in de school van Goossens. Goossens gaf zijn ontslag in 1864. Hij werd gedecoreerd met het burgerlijk kruis van eerste klasse op 8 juni 1880 en overleed godvruchtig in Bornem op 24 juni 1881 . Zijn opvolger was Gillis, die al fungeerde als hulponderwijzer. Deze onderwijzer stierf in 1870 en werd vervangen door Jan-Karel Feytens , die reeds tijdens de ziekteperiode van Gillis als tussentijds onderwijzer werkzaam was geweest. In 1866 bouwde men een nieuwe gemeenteschool en onderwijzerswoning in de dorpskern van Wintam, en de oude school en het vervallen onderwijzershuis aan de molen werden afgebroken. Late 19e Eeuw en nieuwe initiatieven Dhr. Feytens gaf zijn ontslag in 1879 en ging aan het hoofd staan van een vrije jongensschool. Zijn opvolger in het gemeenteonderwijs was Leopold Mees , die op 15 oktober 1884 aan het werk werd gesteld. In Wintam bestond er in die tijd ook een meisjesschool met bewaarschool (kleuterschool), bestuurd door de kloosterzusters van Vorselaar . Deze school werd opgericht in 1875 en werd in datzelfde jaar aangenomen als officiële school. Voor het bouwen van een nieuwe school in Eikevliet werd op 26 januari 1855 de openbare aanbesteding toegewezen aan Alexander Verheyden uit Puurs, voor de som van 4200 frank. Willem Broeckmeyer was de eerste onderwijzer van deze school. Hij werd benoemd op 6 december 1855 en gaf zijn ontslag in 1863 . Na hem kwam Willem Lipkens , die in datzelfde jaar nog werd benoemd en zijn ontslag indiende in 1890 . Zijn opvolger was Cyriel Verbruggen . De school van Eikevliet is steeds een gemengde gemeenteschool gebleven. In 1871 bouwde men een onderwijzerswoning aan de andere kant van de straat. De gemeenteschool en het onderwijzershuis van Hingene zijn opgericht in 1866 . Paulus Augustynen was de eerste onderwijzer en werd benoemd op 3 december 1864 . Voordat de nieuwe school op den “Dries” klaar was, onderwees hij in een gebouw op de kouter, dat als zondagsschool diende. Dhr. Augustynen overleed in 1872 en werd opgevolgd door Emiel Jordens , die, net als de onderwijzer van Wintam, in 1884 in beschikbaarheid werd gesteld door afschaffing van zijn functie. De gemeenteschoolgebouwen van Hingene en Wintam werden daarna aangenomen jongensscholen , de eerste beheerd door Leo-Antoon De Brabander , de tweede door Jan-Karel Feytens . In 1869 bestond er in Hingene ook een meisjesschool waar een bewaarschool aan was gehecht. Deze school werd eveneens aangenomen als officiële school en stond onder het algemene gezag van de kloosterzusters van Gijzegem. Na De Brabander bestuurde Richard Augustynen de jongensschool van Hingene, samen met hulponderwijzer Karel Vermeiren . Zijn opvolger werd Edward De Smet , met zijn onderwijzers Oscar De Preytere , Maurits Van Ranst en Wilfried Van Ranst . De opvolger van De Smet werd nadien Louis Vertongen . Fusie en nieuwe directie In 1975 werd Flor Roskam hoofdonderwijzer van de samengevoegde scholen Wintam en Eikevliet en een jaar later kwam de school van Hingene daarbij. De zes scholen van de heerlijkheid Hingene kregen zo één directie. In 1980 werd Flor opgevolgd door Alfons Desmedt , die met 21 leerkrachten het onderwijs verzorgde in de streek. In 1993 werd de Vrije Gesubsidieerde Basisschool Hingene-Wintam omgedoopt tot Huveneersbasisschool met Dirk Aerts als nieuwe directeur. Maurits Van den Bossche zal Dirk Aerts opvolgen als directeur, maar na een verloop van tijd zouden er twee directeurs aangesteld worden voor de twee scholen. Maurits in de school te Hingene en Dirk De Ost in de school van Wintam. Op het einde van het schooljaar 2023-2024 ging Maurits Van den Bossche op pensioen en hij werd opgevolgd door Sarah De Jonghe , een leerkracht van de Sint-Bernardusschool te Bornem. Bron(nen): Geschiedenis der Gemeente Hingene; Leopold Mees; 1894, blz. 187-194
2012-2026
Klik op onderstaande griffels om meer te weten over de…: