Orde van Hingene

Erkende vereniging door de gemeente Bornem, Faro, Histories vzw en koepelorganisatie Heemkunde Gouw Antwerpen. Disclaimer - Recht op afbeelding - Recht op privacy

Neem contact met ons op

Barelveldweg 8 - 2880 BORNEM 0469 43 19 44 ordevanhingene@gmail.com contact@ordevanhingene.be

DE (DEEL)GEMEENTE HINGENE

Deelgemeente Hingene (gemeente tot 1977, dan deel van gemeente Groot-Bornem) De deelgemeente Hingene is in het zuidwesten van de provincie Antwerpen gelegen. Zij maakt deel uit van het arrondissement Mechelen , van het kanton Puurs , de gemeente Bornem en van de streek gekend onder de benaming Klein-Brabant . Zij grenst in het noorden aan de Schelde, ten oosten aan de Rupel en ten zuid tot zuidoosten aan de Vliet, vroeger een bevaarbare rivier, nu gereduceerd tot een beek. Hingene omvat, buiten het dorpscentrum Hingene-centrum, nog twee vrij belangrijke dorpen : Wintam in het oosten en Eikevliet in het zuidoosten. Vroeger behoorde daar ook Nattenhaasdonk in het noordoosten bij, tot een stormvloed in 1825 een einde maakte aan de parochie en waardoor veel inwoners naar Wintam en Hingene-centrum trokken. De deelgemeente Hingene bestaat uit vier secties : Wijk A, Hingene-centrum; Wijk B, Wintam ; Wijk C, Eikevliet en Wijk D, Klein-Mechelen . Zij bevat drie dorpskringen : Hingene , Wintam en Eikevliet en de gehuchten : Heiken , Hink , Eek , Nattenhaasdonk , Hulst , Eikerheide (*), Slijkhoek (**) en Klein-Mechelen . De drie dorpskernen zijn gebouwd op een landrug die van het westen naar het oosten gaat en zich in Wintam kromt naar het zuiden. Fusie : Sedert 1 januari 1977 deelgemeente van Bornem. Oppervlakte : 1.493 hectare 91 are. Inwoners : 4.509 (1/1/1994). (*) Benamingen waarin het heide voorkomt, zoals verschillende plaatsen in de gemeente, zijn van oudsher te herleiden aan de betekenis van een plaats waar de heideplant voorkomt. Een stuk land dat niet aan overstromingen was blootgesteld. Pas in de 18de eeuw verdwenen de heidegronden en naam referent aan de heideplant ging over naar een plaatsnaam. Zo heeft men in de gemeente Hingene: Eikerheide , het Heiland , Keizersheide , Vlieterheide , Leemsheide , Lodderheide , het Heiken . (**) Benamingen met Hoek of Wijk hadden dezelfde oorsprong als met heide. Zo kennen wij de Slijkhoek en Hoekstraat . Maar ook ’t Hoeksken en Sint-Jans-Hoeksken in Hingene-centrum en Reuzenhoek in Eikevliet. De polders van de gemeente Hingene dragen volgende benamingen en liggingen: Wijk A : Hingenebroekpolder , Zijstraat tot aan de Pladderdijk. Het Zand , tussen de Pladderdijk en de Noterlaardreef. Het Zand werd drooggelegd waarop nadien het hele geheel verkaveld is geworden. Schellandpolder (vroeger Heedongenbroek ), tussen de Noterlaardreef en de Eikendam. Wijk B : Oudbroekpolder , tussen de Eikendam en de Nattenhaasdonkstraat ( voorheen de Rupelmondse Baan ). Ruipenbroekpolder , tussen de Nattenhaasdonkstraat, de Rupel en het Kanaal ( voorheen de Dijkstraat ). Schorbroekpolder , tussen de Dijkstraat ( nu verdwenen door het Kanaal Brussel-Rupel ) en de Frans de Laetstraat ( voorheen Hulstraat of Hulststraat ). Deze polder werd tijdens de Tweede Wereldoorlog ontpolderd door de bezetter. Wijk C : Eikenbroekpolder , tussen de Frans De Laetstraat, de Rupel- en de Vlietdijk. Deze polder werd tijdens de Tweede Wereldoorlog ontpolderd door de bezetter. De naamsverklaring De naamsverklaring voor de benaming Hingene is niet zomaar met de nodige zekerheid te klaren. Hierover bestaan verschillende denkpistes. Sommigen beweren dat het van ‘eng’ (smal) komt. Ook schreef men vroeger Henghene , Hengene , Enghen . In de tijd dat de Schelde nog niet omgeven was met dijken en het water de vrije hand had op de omgeving, moet de plaats waar het dorp gebouwd werd, betrekkelijk eng of smal geweest zijn. Van ‘eng’ of ‘enge’ kwam mettertijd ‘ing’ , ‘inge’ , ‘ingen’ en ‘ingene’ , later ‘hing’ , ‘hingen’ en ‘hingene’ . In de 11e en 12e eeuw schreef men in de Latijnse taal Hinquem , ook Hinkem en Hingen . Vanaf de 13e eeuw schreef met Hinghene . In de 17e eeuw kwam men ook Hinghem , Hingen en Hinghen tegen. Op de kaart van Sanderus en op de oude schepenzegel staat Hinghen . Ook werden de schrijfwijzen Hynghene en Hyngene ook gehanteerd. De Fransen, die soms onze contreien teisterden, schreven omstreeks het einde van de 18e eeuw: La commune d’Inghem , d’Angen , d’Engene . Dan had je ook nog een ignorante ambtenaar maakte er zelfs Enghel van. Andere onderzoekers zijn van mening dat de benaming van Hingene voortkomt van ‘inge’ , dat droog land of watervrije plaats zou betekenen. Of de uitgang gene een veranderde schrijfwijze is van ‘gheym’ , ‘ghem’ of ‘ghen’ , of door verkorting ‘heim’ , ‘hem’ , ‘am’ , ‘om’ , ‘en’ , van het oud-Duitse ‘heym’ , in het Engels ‘ham’ , waardoor er eerder een kleine bewoonde plaats zou betekenen. Zulke kleine plaatsen werden in het Frans ‘hameau’ genoemd, wat gehucht betekend. Aangezien alle dorpen in hun ontstaan kleine bewoonde plaatsen zijn geweest, moet men niet verwonderd zijn dat ze zoveel eindigen op ‘en’ of ‘hem’ . Wil men nu dat ‘ing’ de betekenis heeft van “droogte”, dan zou Hingene droge plaats betekenen. Als men het op de eerste verklaring houdt dan betekend dit “enge” of “smalle plaats”. Komst van de eerste bewoners In de zevende eeuw voor Christus kwamen de Kelten vanuit Zuid-Duitsland onze contreien in. Deze Kelten werden op hun beurt al snel veroverd door de Oude Belgen, vermoedelijk een semi-Germaanse stam met een Keltische taal. Uit plaatsnamen leidt men af dat de inwoners van het noorden van België in de Romeinse tijd Germaans-Keltische stammen waren die een Keltisch dialect spraken. Het is pas met de komst van de Salische Franken in 358 na Christus dat men zich in onze zeer drassige regio kwam vestigen. De eerste Frankische nederzetting zou in Nattenhaasdonk ontstaan zijn. Zij hielden zich voornamelijk bezig met landbouw, veeteelt, jacht en visvangst. Daardoor vestigden ze zich het vaakst in de nabijheid van water. Hierdoor zien wij een indirect bewijs van een vroegtijdig bestaan van Nattenhaasdonk. De schelde was in die tijd nog niet ingedijkt en had vrij spel met eb, vloed en springtij. Natuurlijke verhogingen boden dan voor de bewoners een “veilig” toevluchtoord en daar zal dan ook de eerste bebouwing opgetrokken zijn. Dat er al bewoning was in de Gallo-Romeinse periode kunnen we met zekerheid zeggen, onder meer door een muntschat die ontdekt werd in 1846. Land van Bornem Vermits Hingene als leen deel uitmaakte van het Land van Bornem zal haar geschiedenis aanvankelijk parallel verlopen met die van Bornem. Na tijdelijk deel uitgemaakt te hebben van het Land van Rumst (tot 1449) en in het bezit te zijn geweest van de huizen van Vlaanderen en Luxemburg , werd Hingene in 1535 verkocht aan Hendrik van Nassau ; in 1560 aangekocht door Melchior Schetz , die het onmiddellijk verkocht aan zijn broer Gaspar . Het is zijn zoon Conrard die de heerlijkheid zal erven en die evenals zijn afstammelingen vanaf 1617 de naam " van Ursel " of d’Ursel zal dragen; vanaf 1638 krijgt hij de titel van graaf, en vanaf 1717 die van hertog. Door aanhoudend verzet tegen de macht van de kastelenij Bornem, had Hingene steeds een zekere zelfstandigheid behouden en was het, samen met Wintam, Eikevliet en Nattenhaasdonk, inmiddels uitgegroeid tot een heerlijkheid met lage, middelbare en hoge rechtspraak; in 1450 werd immers een schepenbank opgericht, waarvan de leden benoemd werden door de Bornemse leenheer. Door haar ligging aan de Schelde , de Rupel en de Vliet bestaat Hingene hoofdzakelijk uit polder- en broekland, eeuwenlang blootgesteld aan overstromingen ( zie het bestaan van de talrijke kreken en wielen ). Reeds zeer vroeg werd er ingedijkt en ingepolderd ( zie het bestaan van Nattenhaasdonk in de 11de eeuw ); grootscheepse werken werden uitgevoerd vanaf de 13de eeuw, onder meer circa 1250 in het Eikerbroek ten noordoosten van Eikevliet, en veroorzaakte grondige wijzigingen in het cultuurlandschap. Het opwerpen van de eerste echte dijken langs de Schelde en de Rupel zou volgens Leopold Mees pas gestart zijn in de loop van de 15de eeuw; deze dijken bleven voortdurend onderhevig aan herstel en verbetering en brachten zware lasten mee voor de plaatselijke bevolking. Slechts door de snelle ontwikkeling van de waterbouwkunde in de 18de eeuw, werden de dijken geleidelijk verhoogd en de verordeningen strenger toegepast, waardoor de zwaarste waterellende langzaam zou verminderen. Echter verhinderde dit niet dat in 1953 op veel plaatsen de dijken braken en Hingene, Wintam en klein deel van Eikevliet onder water zette. Het zwaartepunt van de ramp in 1953 lag aan de Rupeldijk ( ter hoogte van de scheepswerf ) in Wintam. Om overstromingsrampen zoals deze en die van in Ruisbroek ( 1976 ) te voorkomen werd in het begin van de jaren 1980 gestart met het SIGMA-plan ( 1977 ). Sedertdien bieden de dijken meer veiligheid voor het achterland, maar het authentieke karakter van de rivierbegeleidende landschappen ging grotendeels verloren. Woonkernen Schaars bebouwde poldergemeente met drie landelijke woonkernen: Hingene-dorp , Wintam en Eikevliet , elk met een eigen parochiekerk en school. Het grootste deel van Hingene-centrum wordt ingenomen door het kasteeldomein d'Ursel. De gemeente ontwikkelde zich immers in functie van dit kasteel. De huidige woonzone strekt zich uit ten westen van het kasteeldomein, meer bepaald ten westen van de Cesar Van Kerckhovenstraat en de Edmond Vleminckxstraat. De bebouwing is overigens vrij eenvoudig en heterogeen en bovendien van relatief recente datum. Inplanting van recente woonwijken ten noordwesten (zogenaamd " 't Zand " uit het vierde kwart van de 20ste eeuw) en ten zuidwesten van de kern. Nog talrijke groene ruimten onder meer de schorren en dijken aan de Schelde in het noordelijke deel van de gemeente, de beemdlandschappen en broekbossen van het Moer in het zuiden, circa 1674 doorsneden door rechte wegen, in opdracht van de heren van Hingene. Het " Hingene-wiel ", modo "Grote en Kleine (of Oude) Wiel" in het noordwesten is een overblijfsel van een dijkbreuk in 1554 . De wijk "Klein Mechelen" in de zuidwesthoek, oorspronkelijk een heide- en bosgebied, wordt nagenoeg volledig ingenomen door K.M.O.-zone "De Vliet", die aansluit bij deze van Bornem, langs de Rijksweg. Domein d’Ursel Het domein d'Ursel werd reeds in 1120 vermeld als omwalde hoeve . Mogelijk klimt het zelfs op tot een omwalde schranshoeve uit de Frankische kolonisatietijd. De eerste woning, het Hof te Hingen , was een belangrijk stenen buitenverblijf bij de moerassen waar de Schelde en Rupel samenvloeiden. Hingene, dat eerst deel uit had gemaakt van het domein van Rumst , werd in 1535 verkocht aan het huis Oranje-Nassau . In 1556 is er sprake van de verkoop van " een stynen huys en hoff mette andere huysingen van schueren stallen ende andersins daerop staende " van rentmeester Thibault Barradot aan ridder Dierick van de Werve . De aankoop van het huis werd gevolgd door verbouwingswerken, maar een financiële tegenslag ten gevolge van een overstroming in 1592 dwong de nieuwe eigenaar ertoe het huis in 1608 te verkopen aan Conrard Schetz . Intussen had Melchior Schetz of Schetzenberg de heerlijkheid Hingene in 1560 verworven en onmiddellijk terug doorverkocht aan zijn broer Gaspar , de heer van Grobbendonk, welke gehuwd was met Catharina van Ursel . Het is hun zoon, Conrard Schetz , die vanaf 1617 de naam d’Ursel zou dragen, die de heerlijkheid erfde en er in 1608 het huis verwierf. In de tweede verkoopakte wordt het huis als volgt beschreven: " eene groote schoone huysinghe van plaisancie rontomme bewatert met een groot waeter ende optreckende brugge ", waarbij er tevens gewag wordt gemaakt van een neerhof, stallingen, twee boomgaarden, een weg naar de kerk, meerdere dreven beplant met eiken en van een grote stenen toren, verscheidene verdiepingen hoog, die dienst deed als duiventil. Het huidige kasteel gaat terug tot de periode 1756-1769, toen het oorspronkelijk 16de-17de eeuwse gebouw grondig werd vernieuwd. Het is in zijn huidige vorm een typische, 18de-eeuwse adellijke zomerresidentie . Het gebouw, dat een zeer homogene indruk maakt, is het resultaat van meer dan vier eeuwen bouwen, verbouwen en aanpassen. Het betreft een dubbel omgracht classicistisch kasteel op een U-vormig grondplan, geflankeerd door een oranjerie en omgeven door een uitgestrekt kasteelpark. Naast het kasteel omvat het domein twee toegangspoorten, waarvan één nog met een wachthuisje uit de 18de eeuw ( Vleminckstraat ), poortpijlers met bekronende siervazen ( oosthoek in W. d’Urselstraat ), de toegangsbrug, het zogenaamde ' Laathof ' dat deels opklimt tot de 17de eeuw, alsook het ' schildershuis ' uit de 19de eeuw. Ook de Casteleyn behoorde vroeger als paardenstalling tot het domein. Vanaf de 20ste eeuw werd het gebouw gebruikt als wasserij, strijkerij en portierswoning. De evolutie van het park verliep als volgt. Het 16de-eeuwse domein was een typisch laatmiddeleeuws buitengoed met in de eerste plaats een economisch-agrarische waarde. In de daaropvolgende eeuwen nam de siertuin een steeds belangrijker plaats in en werd het geheel in een bepaalde stijlvorm gegoten: de renaissancetuin in de 17de eeuw, een typisch Franse tuin in een barok ontwerp rond het ‘vernieuwde’ kasteel uit 1713-1714, een op het classicisme geënte heraanleg naar ontwerp van Servandoni in de jaren 1760 en tenslotte een Engels geïnspireerde landschapstuin mét behoud van een aantal beeldbepalende, structurele elementen uit de voorgaande fasen, getekend door de Duitse landschapsarchitect Keilig in 1883. Het parkgedeelte voor het kasteel werd in 1981 heraangelegd als Franse tuin. Ten noorden van het kasteel en net tegen de Scheldedijk, ligt 'De Notelaer', een classicistisch paviljoen met zicht op de Schelde en haar buitendijkse gebieden (schorren en rietland) dat via de 'Notelaerdreef' in verbinding staat met het kasteel. Het werd met recuperatie van materiaal van het afgebroken kasteel van d’Ursel in Hoboken opgetrokken in de periode van 1791 tot 1794 en wordt omgeven door het voormalige jachtgebied van de graaf. De aanleg van het gehele domein, met een kasteelpark, parkbossen, dreven en bijhorend jachtgebied zijn de getuigen van diverse tuinarchitectonische stijlen die dateren van de 16de eeuw tot vandaag. Sinds het kasteel in beheer is door het Provinciebestuur wordt stilaan het achterstallig onderhoud dat een bedreiging vormde voor het behoud van de intrinsieke waarden van dit landschap, weggewerkt. Zo werd het schildershuis ofwel het Atelier van Antonine De Mun , gerestaureerd tot een stijlvol vakantiehuisje. De provincie Antwerpen maakte hiervoor €595.000,00 voor vrij. In september 2018 werden de eerste gasten verwelkomt, maar in december van dat jaar liep het al compleet mis. “De waterafvoer van één van de douches werd tijdens de verbouwingswerken niet aangesloten op de riolering. Het water hoopte zich op in de kelder, waar ook bad- en slaapkamers waren ingericht. Er was flink wat schade, zo ging onder andere een deel van de houten vloerbedekking stuk. Er zat niets anders op dan de vakantiewoning tijdelijk weer te sluiten en alle reservaties te annuleren”, zei De Vlieger in Het Laatste Nieuws ( artikel van Els Dalemans op dd.18-03-2019 ). Parochiekerk Sint-Stefanus De Parochiekerk Sint-Stefaan of Sint-Stefanus (Stephanus), een neogotische kruisbasiliek, ligt ten zuidwesten van het kasteel. Ze werd opgetrokken op het einde van de 19de eeuw, doch met integratie van delen van de oude kerk uit 1687. Hier bevindt zich ook het grafmonument van de familie d’Ursel. Kerkelijke geschiedenis van Hingene minstens opklimmend tot 1225, toen het patronaat van Hingene, als hulpkerk van Bornem bevestigd werd. Mogelijk werd toen een kerk opgericht ter vervanging van een kapel uit de 10de eeuw, opgericht door de bewoners van Nattenhaasdonk, waarvan de kerk meermaals door de Schelde was overstroomd. Nattenhaasdonk eiste de titel van moederparochie van Hingene op, hoewel ze zelf een dochterkerk van Bornem was. De oude, georiënteerde kerk, meermaals aangepast en vergroot, doch met toenmalig uitzicht van 1687 (volgens oude tekeningen grotendeels in barokstijl), werd gesloopt in 1898, met uitzondering van de toren, het koor en een deel van de kruisbeuk. Nieuwe kerk met integratie van de oude elementen, naar ontwerp van J. Caluwaers van 1894. Eerstesteenlegging 5/12/1898. In gebruik vanaf 1900. Kerk ingewijd in 1906. Tegen de koorsluiting eclectisch funerair monument van de familie d'Ursel naar ontwerp van J. Caluwaers, volgens plannen van 1903, 1904 en 1907. Verleent toegang tot de familiegrafkelder. Na de afschaffing van het brigittenklooster in Hoboken, liet Wolfgang Willem d'Ursel (1750-1804) in 1784 een grafkelder bouwen achter de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Hoboken voor de resten zijner voorouders, die tot dan in het klooster begraven waren. Naderhand overgebracht naar Hingene. Rechthoekige constructie van baksteen met verwerking van arduin en koepelvormige bekroning; centraal wapenschild van de familie d'Ursel. Parochiekerk Sint-Margaretha Noord-zuid-georiënteerde, neoclassicistische kerk met omringend en door taxus omhaagd kerkhof. Nieuwe uitbreiding van het kerkhof ten zuidwesten, met Lourdesgrot in het zuiden, ter ere van het 25-jarig priesterschap Z.E.H. Meeûs, 11/9/1960; Onze-Lieve-Vrouwebeeld door E. Nootens. Links voor de kerk: Heilig Hartbeeld, gesigneerd C. Van De Capelle van 1928, op arduinen sokkel, gesigneerd Praille Londerzeel; rechts monument der gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog. Na de afschaffing van de parochie Nattenhaasdonk in 1801 en de verdere teloorgang ten gevolge van de zware dijkbreuk van 1825, kreeg het hoger gelegen Wintam uiteindelijk gunstig advies voor een eigen kerk, pastorie en school. Eerstesteenlegging van een neoclassicistische kerk naar ontwerp van F. Drossaert op 29/5/1828. Het puin van de kerk van Nattenhaasdonk werd verwerkt in de funderingen. Houten overdekking van de zijbeuken vervangen door bakstenen gewelven in 1856-1857. Op aanraden en naar ontwerp van de provinciale architect J. Schadde werd het gewelf van de middenbeuk omwille van instortingsgevaar afgebroken en gereconstrueerd in 1858. Bedaking zwaar beschadigd door een orkaan in 1859; omwille van de stabiliteit stelde J. Schadde voor het dak te reconstrueren met een steilere helling en een nieuwe toren te bouwen; de oude toren was immers te laag in verhouding tot het nieuwe dak. Deze werken, waarbij tevens de hele voorgevel werd gesloopt en naar voor gebracht (zie bouwnaad), werden uitgevoerd naar ontwerp van de provinciale architect J. Schadde in 1862-1863. Parochiekerk Sint-Lambertus De Sint-Lambertuskerk, gelegen op een lichte verhevenheid op de hoek van de Richard Caluwaertsstraat en de Desiré Van Hoomissenstraat, is een classicistisch zaalkerkje uit 1778-1779 met een ingebouwde laatgotische westtoren, omringd door een ommuurd kerkhof. Door zijn verheven ligging troont het classicistische zaalkerkje als het ware te midden van het eertijds economisch zeer bedrijvige Eikevliet, een gehucht van Hingene dat ontstond door zijn specifieke ligging aan een meander van de Vliet. Deze enigszins geïsoleerde woonkern bezat van oudsher een eigen kapel, die onder meer na de godsdienstperikelen van de 16de eeuw werd heropgebouwd. De huidige kerk dateert van 1778-1779, maar behield een laatgotische toren. Het gaaf bewaarde ensemble bestaat uit een sober classicistisch zaalkerkje met de traditionele inplanting van het kerkhof rondom de kerk. De oude kapel van Eikevliet werd vernield tijdens de godsdiensttroebelen van de 16de eeuw en werd kort nadien heropgebouwd. Na afbraak van de kapel startte de bouw van de huidige Sint-Lambertuskerk op kosten van de abdij van Affligem, die de plaatselijke tienden ontving; de eerstesteenlegging vond plaats op 5 juni 1778, de inwijding van de kerk op 7 oktober 1779). In 1876 werd een sacristie opgetrokken naast het koor, naar ontwerp uit 1874 van Leonard Blomme (1840-1918). In 1842 volgde een erkenning als parochie, afhankelijk van Puurs. De buitengevels van de kerk werd in 2000 grondig gerenoveerd. In 2008 werd de restauratie van het interieur beëindigd. Een eerste afbeelding van de kapel van het gehucht Eikevliet dateert uit 1773. Omheen de kapel is een groen ingekleurde zone ingetekend. Vermoedelijk is het terrein dan nog geen kerkhof. Een voetpad loopt van noordoost naar zuidwest over het terrein. Een meer gedetailleerde afbeelding dateert uit 1792. De situatie wordt bevestigd door de Ferrariskaart en een figuratieve kaart uit 1793. Beide kaarten bevestigen dat op dat ogenblik de oostelijke zijde van het kerkhof afgeboord is met een bomenrij. Aan de straatzijde wordt geen muur aangeduid. De wegel, tegen 1793 mogelijk een volwaardige weg, loopt nog steeds over het kerkhof. De kaart van 1793 vermeldt duidelijk ‘Kercke van Eyckevliet’ waardoor er tevens een kerkhof mag verwacht worden. Op dat ogenblik geeft ook ten oosten een weg uit op het kerkhof. De Atlas der Buurtwegen uit 1840 toont een muur als afsluiting met de rijweg. Bron(nen): Agentschap Onroerend Erfgoed 2022: Polder en kasteel van Hingene [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135356 Agentschap Onroerend Erfgoed 2022: Parochiekerk Sint-Lambertus met ommuurd kerkhof [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/2026 Agentschap Onroerend Erfgoed 2022: Hingene [online] https://id.erfgoed.net/themas/13508 Agentschap Onroerend Erfgoed 2022: Parochiekerk Sint-Stefaan met kerkhof [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/1998
2012-2026