Orde van Hingene

Erkende vereniging door de gemeente Bornem, Faro, Histories vzw en koepelorganisatie Heemkunde Gouw Antwerpen. Disclaimer - Recht op afbeelding - Recht op privacy

Neem contact met ons op

Barelveldweg 8 - 2880 BORNEM 0469 43 19 44 ordevanhingene@gmail.com contact@ordevanhingene.be

Sagen en Legenden

Genoveva en haar kinderen Genoveva, dochter van de hertog van Brabant, was de echtgenote van de ridder Siffroi of Siegfried. Ze waren al enige tijd getrouwd maar hadden nog geen kinderen, toen Siffroi haar alleen moest achterlaten om met Karel Martel en zijn leger ten strijde te trekken. Genoveva, die zwanger was toen haar man vertrok maar dat zelf nog niet wist, werd toevertrouwd aan de intendant Golo. Nu brak er een treurige tijd aan voor de gravin. Ridder Golo, die door de graaf was aangesteld als plaats waarnemer, bleek een ontrouwe dienaar. Hij gedroeg zich net alsof hij heer en meester was en toen Genoveva hem daarop aansprak werd hij boos en begon zich te wreken. Golo schreef aan Graaf Siegfried en vertelde allerlei lelijke dingen over Genoveva, die helemaal niet waar waren en liet haar zelfs gevangen zetten. Zo zat Genoveva al enkele maanden in de gevangenis toen ze een kindje kreeg dat ze Smarterijk noemde. Ze gaf hem deze naam omdat ze het gekregen had toen ze in de grootste droefheid van haar leven verkeerde. Golo besloot nu om moeder en kind te doden. De intendant leverde de twee slachtoffers over aan bedienden, die hen in een nabijgelegen bos moesten vermoorden. De bedienden werden echter vertederd door Genoveva en haar baby en ze besloten om hen niet te doden en hen in het bos achter te laten. Gedurende meerdere jaren overleefden ze dankzij de melk van een reebok die zich om hen bekommerde. Op een dag kwam Siffroi tijdens het jagen bij de grot waar Genoveva woonde. Siffroi stapte van zijn paard en vroeg: ‘Wie zijn jullie en waar komen jullie vandaan?’ Want na jaren in het bos leven, herkende hij zijn vrouw niet. ‘Ik ben Genoveva, uw echtgenote, en deze knaap is Smarterijk, uw zoon.’ Toen was het alsof de graaf door de grond zonk. Hij viel voor de voeten van Genoveva. Zij liet hem opstaan en zijn zoon Smarterijk in de armen nemen. De graaf blies nu op zijn gouden hoorn en liet alle ridders bijeenkomen om hen voor te stellen aan Genoveva en zijn zoon. Toen liet hij prachtige kleren voor zijn vrouw halen, zette haar op het mooiste paard en bracht haar dol van vreugde naar zijn kasteel. Hier leefden ze nog lang en gelukkig. In de bossen van Hingene kwam Genoveva altijd jagen met wel twintig struise jagers. Soms stond men opeens voor een grote plas water. Genoveva riep dan de reuzen, die de bomen uittrokken en over het water legden. Als ze een reebok hadden gevangen, dan brachten ze die naar het kasteel, waar de kinderen werden gevoed met de reebokmelk. (bron: VVB; ID48623; Nr. JWAUT0257-0258)
2012-2026
De Duivel en zijn oven Op een boerderij in Hingene had men een oude oven op het erf. Toen op een dag een ruige kerel voorbij die oven liep, werd hij vastgegrepen en in de oven gegooid. Daarna is hetzelfde nog met een aantal andere mensen gebeurd. Het was het werk van de duivel. (bron: VVB; ID48598; Nr.JWAUT0245-0245)
Heksensabbat aan de Rupel Een ooggetuige verteld: “Ik kwam uit mijn staminee in Schelle en moest nog een lange weg naar huis afleggen. Efkes tussendoor, ik woon op de Nielse Heyde. Ge kunt wel weten wat ik toen deed zeker? Ik besloot een kortere weg, door het polderbos, te nemen. In de verte zag ik iets gebeuren. Op een open plek in het bos zag ik wijven rond een vuur dansen. Heksen waren het! Heksen uit Hingene kwamen aan gene kant van de Rupel om hun heksenfeest te vieren. Ge kunt niet weten wat voor kwaad ze daar bespraken. Ze gingen boeren veranderen in varkens en de pastoor in een eeuwige slaap brengen. Of toch zoiets in dien trant.” de man krabt zich even op het hoofd. “En dansen, ja, dansen dat die wijven konden. En dan nog in hunnen bloten! God beware ons!” en slaat een kruisteken. “Van alle leeftijden waren ze. De jongsten ongeveer 16 jaar oud en oudste toverheks was gemakkelijk over d’ honderd! Lelijk als de nacht en graatmager! Denk dat ze nog geen 50 kilo woog! En, nondedzjuu, ze was dan nog de bazin van die bende wijven uit Hingene. Ineens riep die hoofdheks “Salut” en ik had nog niet met mijn ogen geknipperd of ze waren verdwenen. Heb ze nog zien vliegen! Terug over de Rupel, naar hun huizekes in Hingene.” (gebaseerd op volgende bron: VVB; ID48327; Nr.JWAUT0142-0142)
De vrouw van een boer ligt met hoefijzers in bed Je hebt overal wel verhalen over hekserij of tovenarij, maar in Hingene woonde er een boer die enorm veel last had van toverij en van de “kwade hand”. Als iemand door de “kwade hand” geraakt is, dan kon je zelf ernstig ziek worden of je kon je vee verliezen doordat het ene na het andere, door ziekte, stierf. Meestal was het een “mysterieuze ziekte” waar niemand iets aan kon doen. Wel, die boer geloofde dat de Duivel ermee gemoeid was en kreeg de raad om op een onverwacht moment eens naar zijn paardenstal te gaan. Er werd hem ook aangeraden om een paasnagel onder de dorpel van de stal te steken. Meneer pastoor had hem enkele paasnagels gegeven die in een paaskaars staken. Voor hij de stal betrad stopte hij twee paasnageltjes tussen de dorpel, die door slijtage spleten vertoonde. Met een lamp in de linkerhand en een “riek” in de andere ging hij de stal binnen. Er was niets te merken aan de dieren en er was niets bijzonders te zien in de stal. Opgelucht trok hij over de “koer” weer zijn huisje binnen. Hij ging weer naar boven om te gaan slapen, maar wat hij daar aantrof, maakte hem misselijk. In het echtelijk bed zag hij zijn vrouw liggen met aan haar handen en voeten hoefijzers beslagen. Zij was het, die hem uiteindelijk zoveel kwaad berokkende. (gebaseerd op volgende bron: VVB; ID48462; Nr.JWAUT0180-0180)
Tovenaar maakt eigen kinderen ziek In Hingene heb je goede, maar ook slechte mensen. Dit verhaal gaat over een door en door slechte mens, die dan ook een tovenaar bleek te zijn. De tovenaar had zijn vrouw op een vreemde wijze verloren, in de letterlijke betekenis van het woord ‘verloren’. Zij is nooit meer teruggevonden. Aan de schoutsdienaar verklaarde hij dat ze naar haar zuster in ‘Dackenam’ getrokken was en daarmee was de kous af. Er werd verder niets gedaan, maar in het dorp werd er wel over geroddeld. Dat deze man, met zijn onverzorgd uiterlijk en zijn diepzwarte ogen, de zorg voor zijn kinderen op zich nam, was wel heel speciaal. De dorpelingen vonden dat hij nog niet voor zichzelf kon zorgen. Hij dook soms dagen aan één stuk het Schelland in en sommige stropers hadden hem al eens betrapt toen hij tegen raven aan het praten was. Pure tovenarij. Dit verhaal kwam ook de kinderen aan de oren en dreven daarna de spot met hun vader. Hun vader werd daarop zo kwaad, dat hij als straf zijn kinderen opzadelde met een ziekte. De arme kinderen werden in het dorp gezien. Ze waren zo bleek als de dood, bloedrode ogen en hun adem stonk naar rotte vis. De mensen van Hingene konden dit niet meer aanzien en namen het recht in eigen handen. Met rieken, dorsvlegels, potten en pannen, gingen ze naar het huis van de tovenaar om eens flink te scharminkelen. Maar toen de tovenaar zulke massa op zich zag aanstormen, zette hij het op een lopen. De kinderen lagen nietsvermoedend en badend in het zweet te slapen in een veel te klein bed. Alle vier de kinderen werden tot bij de pastoor gebracht, waar de pastoorsmeid hen verwende met heerlijke warme melk en bruin brood. Na een week zagen de pastoor en zijn meid geen verbetering bij de kinderen. Al aten ze flink hun buikjes vol, ze bleven er ziekelijk uitzien. Er zat niets anders op om de kwade demonen te verdrijven met het Heilige Boek. De kinderen zaten netjes voor hem, zijn onderpastoor en de meid des huizes, toen hij het Boek der boeken opensloeg en begon te bidden in het Latijn. Na enige tijd kregen de kinderen terug kleur en trok het bloed in hun ogen weg. Ze waren terug kerngezond. Maar niet iedereen. De pastoor kreeg dezelfde symptomen die de kinderen voordien hadden en werd nooit meer beter. Uit schrik om het zelf te krijgen durfde niemand tegen de ziekmakende demon in te gaan. Vanaf dan trad de onderpastoor op in de liturgie en lag de pastoor, tot aan zijn dood, in bed. (gebaseerd op volgende bron: VVB; ID48482; Nr.JWAUT0190-0190)
Kludde Kludde was de demon die in de gedaante van een monsterlijke zwarte hond verscheen. Een slechte mens had Kludde moeten dragen tot hij niet meer verder kon. Kludde had de slechte eigenschap steeds zwaarder en zwaarder te worden. Als de man totaal uitgeput neerviel, liet Kludde hem los. Een jongen die Kludde vaak moest dragen, ging op een dag biechten en vertelde zijn wedervaren aan de pastoor. "Als ik hem vanavond weer moet dragen, snijd ik hem de hals door", zei de jongen. De pastoor vroeg om het mes van de jongen te zien en zegende het. Vervolgens zei de geestelijke: "Als je nu snijdt, zal het de hals van Kludde zijn, die je doorsnijdt. Anders zou het de jouwe zijn geweest". Daarna heeft de jongen Kludde nooit meer moeten dragen. Een man die op zondagavond terugkwam van de kermis in Eikevliet, werd door een grote zwarte hond besprongen. Dat was Kludde die zich de hele nacht liet dragen. De man raakte pas thuis toen het ochtend werd. Een man die terugkwam van de kermis in Bornem, werd onderweg door Kludde besprongen. Hij moest Kludde dragen tot hij thuis was. Na die dag zat Kludde iedere avond onder het zolderraam van het huis van die man. Hij bleef daar zitten tot iedereen was gaan slapen. Op een dag wilde de man tien kasseistenen uit het zolderraam naar beneden gooien om Kludde uit te schakelen. Toen hij de eerste steen wilde gooien, stond Kludde echter plots achter hem en tikte hem op de schouder. De man liep doodsbang naar beneden en heeft Kludde daarna nooit meer gezien. (bron: VVB.be) We schrijven 1864. In Hingene was er een man, Verghuchten genaamd, die maanden aan één stuk opgezadeld zat met Kludde. Telkens hij ’s avonds naar huis toe ging, werd hij overmand door deze duivelse demon. Het was zo erg, dat hij zich opsloot in zijn huisje als hij nergens naartoe moest. Niemand mocht zijn huisje “Aan den Schietboom” in en in zijn tuin lagen tientallen wolvenklemmen. Iedereen in het dorp sprak erover en hij kreeg dan ook de bijnaam ‘Dolleman’. Op een gegeven moment trok hij het niet meer en liet zich verdrinken in de Wiel. In juni 1864 hebben ze hem uit deze waterpoel getrokken. Uiteindelijk had iedereen toch te doen met hem. Over de doden niets dan goed, zegt het spreekwoord.
Schavakken vangen Een schavak, zo werd ons verteld, is een soort kip met drie poten. Het is zo razendsnel dat je ze maar moeilijk kan zien, laat staan ze te vangen. Echter is er wel één bepaald gunstig seizoen geschikt om de schavak te verschalken. Als het winter is, ijzig koud, donker en er moet sneeuw liggen, dan is de jacht op de schavak geopend. Je moet dan een vuurtje branden en in een hinderlaag liggen met een lange stok (minimum 3 meter) in de aanslag. Het roerloos stil blijven liggen is niet veel jagers gegeven in zo’n bittere ijzige koude. Velen hebben het al geprobeerd, maar moeten het na enkele uren alweer opgeven. Maar één enkele volhouder is het toch gelukt. De man lag vier uren stokstijf in de sneeuw en daar kwam de schavak eindelijk tevoorschijn. Hij kwam zich tegoed doen aan de warmte van het vuurtje, vandaar het houtvuur. Met één enkele slag met de lange stok sloeg de man de kip op drie poten in de nek. De schavak was op slag dood. Het is was de enige keer dat de schavak gezien werd en gevangen werd. De schavak heeft het uiterlijk van een kleine dodo, maar dan met drie poten, wat ze supersnel maakt. Hij heeft bruinrode veren die in de winter wit worden. Zijn vlees smaakt naar fazant, als we de man mogen geloven die hem gevangen had. Sindsdien is de schavak niet meer gevangen, noch gezien. Wel hoort men, als men goed luistert, zijn lokroep in de bossen van Hingene en Wintam. Enkele jaren geleden hebben nog enkele dorpelingen uit Hingene, na het horen van dit verhaal in café “De Oude Post”, een poging gewaagd om een schavak te vangen, maar ze kwamen al snel van een kale en koude reis terug. Al een geluk was hun stamcafé die nacht nog open en kregen ze een warme drank met een stevige borrel. Schavakken vangen is niet voor iedereen weggelegd. (bron: Orde van Hingene, mondeling volksverhaal)
Spoken in de herberg In Nattenhaasdonk, of moet ik zeggen Havesdonck, want zo werd het dorp toen genoemd. Daar stond een herberg, “’t Netten Hof” genaamd, waar altijd met God werd gespot. Ze dronken liters bier en ze maakten ook gebruik van de meisjes-van-plezier, maar het ergste waren hun gezangen. Twee baghijnkens neersbillen souden meer papen locken dan tweenseventich dorpclocken. of Nietroeper wat soudij segghen, oft ghij die paep, op u wijf saegeht leggen. Toen iedereen in de herberg dronken was, hadden ze het idee om alle lakens en dekens van de bedden te gaan trekken om pastoorke te spelen en de Heilige Communie uit te delen. Na hun schouwspel lieten ze de lakens en dekens op de grond liggen en vertrokken ladderzat naar vrouw en kinderen terug. Behalve de “maskes” en de herbergier dan. Maar toen hij de volgende ochtend opstond, trof hij de lakens en dekens dansend en springend aan in huis. De dekens liepen de trap op en weer af. De herbergier trok lijkbleek weg en rende naar buiten. Al roepend Spoken! ging hij tot bij de pastoor, maar die moest niet weten van godslasteraars. Vuile protestanten! riep de pastoor hem nog na. Ook al was de herbergier geen protestant, maar in die tijd woedde namelijk de strijd tussen de Katholieken en de Protestanten. In de maanden na het incident met de lakens, vielen vele godslasteraars één voor één dood. Allemaal rare doodsoorzaken, maar dat is een ander verhaal. (gebaseerd op volgende bron: VVB.be)
Spoken in huis Een meisje werkte als meid bij een familie in Cleyn-Mechelen, een gehucht van Hingene. Als je als meid bij een familie ging werken, da n trok je meestal bij die familie ook in. Toen de meid de eerste nacht in haar bed stapte, zag ze plots vier ratten opspringen. Het meisje slaakte een luide gil en wilde terug uit het bed springen, maar ze raakte er niet meer uit. Ze kon zelf haar arm niet naar achteren bewegen om het licht aan te steken. Ze begon de schoppen met haar benen, want ergens had ze het gevoel dat er iemand haar vasthield. Ze begon te snikken van angst en radeloos als ze was, begon ze te bidden tot onze lieve Heer. Toen ze haar gebed opgezegd had, kwam er een einde aan de spokerij. Ze kon zich plots weer bewegen, maar de dag erop stopte ze meteen met haar werk als meid en ging naar het huis van haar zus en zwager. Radeloos vertelde ze wat haar overkomen is en dat ze niet naar huis durfde te gaan omdat ze zich schaamde. Ze had het tenslotte nog geen dag volgehouden in Cleyn-Mechelen. Maar toen de zus vroeg in welk huis ze tewerk gesteld was, viel haar mond open van verbazing. De zus had namelijk hetzelfde meegemaakt in datzelfde huis. (gebaseerd op volgende bron: VVB.be)
Het dwaallichtje van het kerkhof Een slager ging bij het ochtendgloren naar een boer om een varken te slachten en in te zouten ofwel te pekelen. Tegenover de Sint-Margarethakerk in Wintham zag de slager een vreemd lichtje dat op en neer bewoog en hem leek te volgen. Maar deed alsof het hem niets deed, stapte verder, maar keek toch in zijn ooghoeken wat het dwaallichtje deed. Plots zag hij dat dit lichtje zijn bocht afsneed en heel snel bij hem was. Met een snellere tred wandelde hij naar zijn afspraak. Toen de slager bij de boer aankwam, was het lichtje nergens meer te bespeuren. Wetende dat er misschien de spot met hem gedreven zou worden in het dorp, zei hij niets over het voorval tegen de boer. Dus deed de slager gewoon zijn werk, het varken inzouten. Zodra hij bij de boer vertrok, werd hij opnieuw door het dwaallichtje gevolgd. Maar het begon pas huiveringwekkend te worden, toen hij langs de kerkhofmuur van Wintam passeerde. Het dwaallichtje bleef boven de muur hangen. Pas dan drong het tot hem door dat het geen gewoon lichtje was, maar het dwaallichtje van een overleden persoon. Misschien iemand die hij gekend heeft of iemand waarmee hij nog ruzie gemaakt had. De slager werd zo bang dat hij in een gracht viel. Kletsnat zette hij het op een lopen. Hij liet zelfs enkele van zijn waardevolle messen in de gracht liggen. Het kon hem niet deren, als hij daar maar zo snel mogelijk weg was. Nadien is de slager nog dagenlang ziek geweest van angst… Of kwam het door zijn natte kleren? (gebaseerd op volgende bron: VVB.be)
Het spook aan de Schelde R.C. vertelde ons: Ik weet het nog, alsof het gisteren gebeurd is. Zoiets blijft voor altijd op mijn netvlies gebrand. Mijn kameraad F.P. en ik gingen ’s nachts op paling vissen, zo tussen de Rupel en de Schelde in. We hadden ons nog maar net opgesteld of we zagen iets over de dijk lopen. Een donker gedaante liep onze richting uit. Mijn vriend zei al grappend dat het misschien het spook aan de Schelde was. En iedereen die mij kent, ik deed er nog een schepje bovenop en riep: “Gij hebt vroeger iets gedaan dat niet juist was!” Het gedaante liep dan plots in de richting waar vaak lijken aanspoelen in Wintham. Ik dacht eerst dat het iemand was die zelfmoord wou plegen, maar toen riep het: “Daar is niks van aan, dat zal jij wel geweest zijn!” Bij het riet sprong het gedaante in de Schelde, maar we hoorden geen plons in het water. Toen wist ik het! Het was het spook aan de Schelde, maar dat is nog niet alles. Een jaar of vier geleden spoelde er ook een lijk aan met gouden ringen, gouden halsketting en een portemonnee bom vol geld. Ik had dat lijk van een man gevonden, toen ik vroeg in de ochtend op den dijk ging wandelen en had het ontdaan van al zijn goud. Ik dacht die heeft dat toch niet meer nodig, maar ben hem toen wel gaan aangeven bij de champetter. Ze zijn die dan komen ophalen om het “op den blauwe” steen te leggen. Maar achteraf trok ik thuis wel bleek weg toen ik bedacht dat dat spook nu terug was, om zijn goud op te komen halen. Ik heb toen met een ei in mijn broek, heel de reutemeteut in het “’t Schel” gaan gooien. Allez, het is te zeggen, het geld had ik uitgegeven, maar het goud heb ik hem gaan teruggeven. Nadien hebben anderen en ik hem niet meer gezien… Maar het goud moet er nog liggen. (gebaseerd op volgende bron: VVB.be)
De Mare Het is donker in Eyckevliet en het is mooi te zien hoe verschillende schepen voor anker lagen op de Vliet. Toen een schipper ’s avonds, na de nodige borreltjes, naar zijn schip liep en zijn bed in kroop, hoorde hij een gebonk op de luiken. Hij ging meteen kijken wie dat was, want het leek dringend te zijn. Hij doet het luik open, staat met zijn lantaarn op het dek, maar ziet niets. Toen hij weer in zijn bed lag, begon het gebonk opnieuw. Ook deze keer was er echter niets te zien en weer ging de schipper naar bed, maar deze keer kreeg hij het benauwd. Hij probeerde hulp te roepen, maar dat lukte niet. De mare was langs de luiken naar binnen gekomen en had haar slachtoffer besprongen. Een man die op een avond wakker in zijn bed lag, werd bij de keel gegrepen en kon niet bewegen. Hoewel er niemand te zien was, voelde de man goed dat hij door iets of iemand werd vastgegrepen. Dat moest de mare zijn geweest. Sommigen beweerden dat de mare in wezen een stilstand van het bloed was. Een man die veel last had van de Mare, kreeg van iemand de raad om zijn armen te kruisen als hij ging slapen. Toen de man dat deed, kwam de Mare niet meer bij hem. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hoorde een soldaat, uit Hingene, een gefluit dat leek van boven te komen. De man stond op en liep naar buiten, maar hij werd gevolgd door de mare. Hij hoorde overal geritsel onder deuren en achter luiken en het geritsel werd steeds luider. De vijand kon het niet zijn, want hij was meer dan 20km van het front. Toen de man de dag erna zijn verhaal deed aan de aalmoezenier, kreeg hij de raadt om goed op te letten en niet teveel alleen rond te lopen. De soldaat kreeg ook een soort medaillon van een heilige mee als een soort talisman. Hij lag het medaillon onder zijn hoofdkussen. Zo was hij verzekerd van een goede nachtrust, maar de volgende nacht was de mare er weer. De soldaat werd, rond middernacht, wakker van steeds luider wordend geritsel. De man schrok zo erg dat hij het medaillon van de aalmoezenier in zijn handen nam en aan de mare liet zien. Toen viel alles stil en de soldaat had de mare daarna nooit meer teruggezien. (gebaseerd op volgende bron: VVB.be)
De Zwarte Madam Werkmannen van Denaeyer kwamen ’s avonds van hun werk in Willebroek terug naar Hingene. Ze hadden juist hun loon, handje contantje, gekregen en hadden dus een flink gespekte portemonnee bij. Ze namen altijd dezelfde weg, langs de dijk, naar huis. Op een verlaten donker plaatste, trok meteen iedereen zijn aandacht aan een zwart gedaante, dat aan de kant van het polderbos tevoorschijn kwam. Het was net alsof ze uit de grond kwam gerezen. Iedereen wist meteen dat het de gekende en gevreesde Zwarte Madam was. Met de stuipen op het lijf renden de werkmannen naar huis, maar de Zwarte Madam bleef hen maar achtervolgen. Als ze thuis aankomen, stelden ze vast dat hun loon verdwenen was. Uit hun broekzak gevallen? Ligt het nog op “den dijk”? Heeft de Zwarte Madam het geld? Niemand durfde er nog maar aan te denken om terug te gaan en er te gaan zoeken. Een maand voor niets gewerkt aan die stoomketels. (gebaseerd op volgende bron: Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant vzw - Auteur: Jan Wauters / Jaarboek 39 - 2004 Klein-Brabants Sagenboek)
Vuurbal (Sint-Elmusvuur) Toen Ed. Muyshondt nog jong was, dan zag hij boven de Wiel een grote vuurbol. Na een half uur spatte die bol gewoon uiteen en was verdwenen. Op een zondagavond was Julia De Baerdemaecker met haar man, Petrus Van Wesemael, eens gaan wandelen naar de Notelaer. Er was geen donder of “geroenkel” te horen, maar plots rolde op den dijk een grote vuurbol voorbij en was daarna direct verdwenen. (bron: Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant vzw - Auteur: Jan Wauters / Jaarboek 39 - 2004 Klein-Brabants Sagenboek) In Hingene was er een vrouw die tijdens het onweer naar buiten wou gaan. Maar toen ze de voordeur opendeed zag ze een lichtgevende bol in haar richting komen. Ze kon deze nog ontwijken, doch zat deze vuurbol in huis en al zwevend zocht deze een weg terug naar buiten. De vrouw zette daarop haar achterdeur open en zo kon de vuurbol naar buiten. Ze was wel geschrokken, maar kende het verschijnsel. Gelukkig maar! (Bron: Orde van Hingene, mondeling volksverhaal)
Spookhuizen Op de hoeve van Feremans in Eikevliet spookte het iedere nacht om klokslag 12u. De koeien in de stal werden onrustig, terwijl de kettingen en staldeuren begonnen te rammelen. Elke keer als men ging kijken, liep er een zwarte kat weg en was het spoken gedaan. Bij de Rigjes heeft het vroeger ook gespookt. Hij werd de lucht ingeheven, de meubels vlogen rond, de deuren sloegen kapot en er raasde een stormwind rondom het huis. (bron: Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant vzw - Auteur: Jan Wauters / Jaarboek 39 - 2004 Klein-Brabants Sagenboek)
De legende van de Verzonken Hoeve Na de dood van Karel De Grote (814) viel zijn groot rijk uit elkaar en werd verdeeld onder zijn nazaten, “de vadsige koningen”. Deze koningen trokken zich weinig aan van het volk te besturen, maar hielden zich vooral bezig met elkaar te verrijken en te amuseren met ridderspelletjes. Andere volkeren hadden dit gauw ingezien en profiteerden van deze gelegenheid om onze rijke contreien binnen te vallen en zich rijk te plunderen. Zo kwamen ook de Noormannen (Vikings) uit het hoge noorden in hun kleine maar zeer wendbare snekken overgevaren over de zee en trokken verder het binnenland in langs de rivieren. Deze heidenen waren felle strijders en waren meesters in de tactiek van korte overrompelingsaanvallen met onmiddellijk daarna de terugtocht, waardoor het bijna onmogelijk was om met hen een echte slag te leveren. Aanvankelijk kwamen ze alleen om te roven en te plunderen. Ze verwoesten steden, dorpen en nederzettingen. De kronieken uit die tijd staan vol afschuwelijke verhalen over hun gruweldaden. Langzaam maar zeker namen echter hun invallen af in omvang en in hevigheid. Sommige families onder hen zochten echter een goede verblijfplaats en vestigden er zich. Zo had Heer Walder zijn oog laten vallen op de prachtige streek en de sappige weilanden van Havesdonck, een gebied geleden aan de monding van twee rivieren Schelde en Rupel. Hij zocht er een gunstige plek uit en bouwde er een stevige en machtige hoeve: de Froh-hoeve! Heer Walder had ook een flinke blonde dochter die Frigga heette. Walder vond de geschikte trouwpartner voor zijn dochter in Uller, de zoon van Heer Lodewijk van het Hof van Hinken. Deze prachtige en versterkte houten hoeve was gelegen in het hoger gelegen Hinken (later Hingene) en was opgetrokken in een prachtige vijver omringd door prachtige bossen en weilanden die tot aan de boorden van de Schelde strekten. Maar… de lieve Frigga had haar bevallige oogjes laten vallen op Franciscus, de zoon van Johannes Croes, de boer van het Nethof, vlak naar de kerk van Havesdonck. Deze boerenfamilie was uitgesproken christelijk en vader Walder zou nooit instemmen in ene huwelijk van zijn dochter Frigga met het volk van Jezus. Uller was vol liefde voor Frigga, maar zag wel in dat hij geen kans maakte en uit liefde voor haar liet hij Frigga vrij om met Franciscus, in het geheim, af te spreken. Zij zou zich zelfs in het geheim laten dorpen door de pastoor van Havesdonck. De dag van de doop was reeds vastgelegd op de avond voor Pasen. Maar op deze avond werd Havesdonck getroffen door een vreselijke overstroming ten gevolge van een springvloed. De dijken van Rupel en Schelde braken door en Havesdonck zou volledig onderlopen. In de Froh-hoeve zat de ganse familie bij elkaar in de woonkamer en ze aanbaden hun goden Njord en Odin om bescherming tegen de macht van het water en de wind. Iedereen was er, behalve Frigga. Ze zou de avond doorbrengen in het Hof van Hinken. Daar was ze zeker veilig voor de overstroming, zo dacht Walder. Plots werd er hevig op de buitendeur gebonsd. Wie zou dat zijn? Toen Walder de deur opende, stond Uller voor hem. Hij was bang dat Frigga iets zou overkomen op het Nethof en om zijn geliefde Frigga te redden van de overstroming kwam hij Heer Walder een groot geheim verklappen. Zowel de nakende christelijke doop van Frigga als het geheim van haar liefde voor Franciscus van het Nethof. In het Nethof was ondertussen iedereen naar de kerk getrokken om Frigga te laten dopen; zij zou vanaf dan als Margaretha door het leven gaan. Toen Walder dit bericht hoorde, ontstak hij in een hevige razernij. Hij haalde zijn paard van stal en als een razende gek klampte hij zich vast aan het voortgejaagde paard. Op weg naar de kerk van Havesdonck, door de storm en ontij, niets kon hem tegenhouden! Voor de kerk aangekomen riep hij luid op zijn dochter: “Frigga! Frigga!!” bulderde hij. De kerkdeur opende zich met een piepend geluid en daar stond hij oog in oog met de pastoor. De pastoor tracht Walder tot bedaren te brengen. Hij probeerde Walder te vertellen dat Frigga voor het christelijke en ware geloof gekozen had en voortaan de naam Margaretha zou krijgen. “Vervloekte hond! Gij hebt mijn Frigga onteert!” riep hij. Zijn blik was er een van een razende gek die niet voor rede vatbaar was. Hij greep zijn bij en slingerde deze naar het hoofd van de pastoor. Juist op dat ogenblik komt ook Margaretha naar buiten. De scherpe bijl zoeft voorbij de pastoor en het noodlot had een ander slachtoffer gekozen. Met een dof geluid trof de bijl de borst van Margaretha. Het witte gewaad van de jonge bekeerlinge kleurt rood. Haar vader in de ogen kijkend, streek ze neer op haar knieën en daarna viel ze op haar zij. Ze stierf als een martelares van haar prille geloof. Op dat moment kwam een nieuwe vloed over Havesdonck heen. Deze keer werd alles verzwolgen onder het wassende water van de ontketende rivieren. Havesdonck leek als van de kaart geveegd en was vergaan met man en muis. Een hele tijd later, toen het water was weggetrokken en alleen hier en daar nog “wielen” overbleven, kwam Uller aangereden, op zoek naar zijn geliefde. Toen hij niets vond dat aan haar herinnerde, zette hij zich, bij valavond, neer aan de oevers van de Groene Wielen staarde dromerig in het stille water dat blonk in het maanlicht. Plots verstarde hij, kijkend in het schitterende water. In het water schemerden kleine lichtjes als van lampjes voor het raam van een hoeve. Bij nader toezien zag hij de vormen van het Nethof verschijnen in het water. Er scheen een feest aan de gang te zijn en midden tussen de menigte zag hij zijn geliefde Frigga en haar nieuwe echtgenoot Franciscus. Uller zat daar als versteend. Hoe was dat mogelijk? Na enige rijd verdween de maan achter de voorbijdrijvende wolk en toen ze terugkeerde was het visioen in de wiel echter verdwenen. Uit liefde voor zijn gestorven meisje liet Uller, aan de monding van Rupel en Schelde, een fort bouwen en noemt het “Sint Margaretha”. Het zal later nog een belangrijke rol spelen in de geschiedenis van Havesdonck evenzo tijdens de latere Boerenkrijg. Regelmatig kwam Uller terug om “het visioen” nog eens terug te zien en soms had hij geluk en zag hij in het water naar zijn gelukkige Frigga. Als de maan scheen vanuit de hoek waar vroeger de Froh-hoeve stond, was het Nethof met zijn feestgedruis zichtbaar in de wiel. (bron: Fons Desmedt)
Het Witte Konijn van Wintham Een boer uit Wintham, die te midden van het dorp woonde, dicht bij de Sint-Margarethakerk en naast het kerkhof, zag op een nacht een wit konijn onder zijn houtmijt kruipen. Deze houtmijt stond op zijn koer, waarvan hij hout kon nemen om de “stoof aan te maken”, zoals toen gebruikelijk was. Sinds die nacht zag hij dat konijn op alle ogenblikken van den dag. Het kwam op zijn schaars grasveld zitten en at dan zorgeloos de grassprieten op. Op een gegeven moment had de boer er genoeg van en besloot de houtmijt te verzetten en de konijnenpijp dicht te stampen om van dat beest af te zijn. Zijn gedachten waren nog niet koud of er klonk meteen een stem: Doe dat nooit! ”, sprak het konijn. Bij het horen van zo’n duidelijke kordate stem van dat konijn, schrok de boer zich de stuipen op het lijf. Toen de boer dit kwam vertellen in zijn stamcafé ‘Den Bonten Os’ , bij Pintens , lachten de andere stamgasten hem uit. Allez, ge gaat u toch niet laten doen door zo’n konijntje? zei de ene, Draai hem in de pot met wat pruimen erbij! riep de andere. De boer was kop van jut, maar na enkele bierpullen nam hij een besluit: “ Tegen morgenavond is dat konijn weg zie! De volgende morgen begon hij aan dat werk. Hij nam enkele bussels hout of daar was het wit konijn al. Dat zult ge u betreuren! riep het konijn terwijl deze richting ’t kerkhof huppelde. Het ruimen van de houtmijt kon niet snel genoeg gaan en tegen het vallen van de avond was de houtmijt enkele meters verder verplaatst. Op de plaats was deze voordien stond, zag hij de konijnenpijp en zodra hij deze wou dichtstampen, sprong het akelige beest over de kerkhofmuur en liep recht op hem af. De boer ging op de pijp zitten om het konijn de weg te versperren. Ga weg van dat gat! zei het konijn. Ga zelf weg! antwoordde de boer en hij verzette geen meter. Toen sprong het konijn hem naar de hals, maar de boer kon het beest net afweren. Meteen stond de boer op, stampte het konijnenhol dicht en sloeg het konijn met zijn schup zo hard, dat het stervende voor zijn voeten viel. Met zijn laatste krachten, sprak het konijn: Ik ben een grote zondaar. Mijn ziel kon geen rust vinden en hier, op deze plaats, moest ik vertoeven tot iemand de schat zou vinden die ik ooit van arme mensen had gestolen. Straks zult gij hier, waar eens de houtmijt stond, deze schat opgraven. Eens je deze schat hebt, zal mijn ziel eindelijk rust vinden en ben ik voorgoed weg. Het konijn blies dan zijn laatste adem uit. Ondertussen was het al flink donker, maar dat weerhield de boer er niet van om direct te gaan graven op de desbetreffende plaats en het duurde niet lang voor hij de schat vond. Vuil als een hoge hoed, plaatste hij het kistje op de keukentafel en stak een olielamp aan om beter te kunnen zien wat er mogelijks in het kistje zou zitten. De vuile handen prutsten aan het slot, dat zeer makkelijk opende. In het licht van de olielamp zag hij de zilvermunten schitteren. Het zijn gulden! in de schemering van het licht zag hij de kop van Willem I. Het was ondertussen 11 jaar geleden dat België onafhankelijk werd. De volgende dag deed de boer zijn deur open en het eerste wat hij zag liggen was het witte konijn. Hij nam het bij de achterpoten beet, bond er een koordje om en hing het in zijn keuken. Het kon nog dienen om zijn maag mee te vullen. In het dorp raakte hij aan de praat met pastoor Jacobs en vertelde hij dat hij een muntschat gevonden had met wel honderden zilveren munten van 3 gulden. De pastoor schrok van die behoorlijke som geld en raadde hem aan om de helft aan de armenzorg te schenken en de andere helft zelf te houden. In totaal schonk hij 750 gulden aan de armenzorg (waarde nu zo’n 8057.40) en met zijn deel schonk hij de kerk van Wintham een miskelk met daarop een wit konijn. Het konijn heeft hij niet opgegeten, want zo’n prachtdier moest in gewijde grond begraven worden en zo geschiedde, zonder dat pastoor Jacobs het te weten kwam. Wat hij met zijn overige deel gedaan heeft, is niet bekend. Jammer dat de dag van vandaag de kerk van Wintam geen kerkschatten meer bezit en de zilveren miskelk met ‘t witte konijn staat vermoedelijk stof te vergaren in het archief of erger, het is verloren geraakt. Wie zal het zeggen? (gebaseerd op bron: Victor de Meyere, De Vlaamsche vertelselschat. Deel 3; p.182-183)
De Napoleontische legers in Hingene Nadat de Fransen, in februari 1799, Bornhem hadden platgebrand, trokken ze naar het fort Sint-Margriet in Nattenhaasdonk. Maar om daar te geraken moesten ze eerst Hingene passeren. De inwoners van Hingene wisten wat de Fransen hadden uitgestoken in Bornhem en dachten hetzelfde lot beschoren te zijn. Het boerenleger was grotendeels verslagen en de restanten trokken zich terug in het fort of trokken verder naar de Herentals. De Hingenaren sloten ramen en deuren toen ze merkten dat het Franse leger van generaal Claude Rostollant in aantocht was. Eén vrouw, mevrouw Van de Velde, kon echter nog snel de hele muur rond de kerk vol flessen wij zetten. Toen de Fransen het centrum van Hingene betraden en de flessen wijn zagen, bejubelden ze deze aangename verwelkoming. Al was de haat tegen deze overheerser bij het gewone volk enorm groot. Velen hadden ook zonen die meevochten in het boerenleger. Maar door mevrouw Van de Velde, bleef Hingene gespaard van enige plunderingen, laat staan dat het hele centrum in vlammen zou opgegaan zijn. (gebaseerd op volgende bron: VVB; ID48620; Nr. JWAUT0256-0256)

De Schavak

Latijn: Raphus Scandendum Gewicht: 4,36kg (Max) Kleur: Bruin-rood (lente, zomer en herfst) tot wit (winter) Snelheid: 50km/u Fotobewerking: BVE