Orde van Hingene

Erkende vereniging door de gemeente Bornem, Faro, Histories vzw en koepelorganisatie Heemkunde Gouw Antwerpen. Disclaimer - Recht op afbeelding - Recht op privacy

Neem contact met ons op

Barelveldweg 8 - 2880 BORNEM 0469 43 19 44 ordevanhingene@gmail.com contact@ordevanhingene.be

Wètje Perremans (°1896-†1982)

Eduard Juliaan Perremans, markante legende Eduard Juliaan Perremans , beter bekend in Hingene als " Wètje Perreman " (zonder de "s") of simpelweg de Wètjes was een markante figuur met tal van verhalen, tips en tricks. Geboren op 29 december 1896 in Hingene, overleed hij op 3 september 1982 , eveneens in Hingene, op 85-jarige leeftijd. Perremans was rentenier van beroep, voormalig voorzitter van FC Hingene , gemeenteraadslid , en bovenal een meesterverteller . Laten we nu juist deze meesterverteller weer aan het woord laten. Hingene, 29 december 1896. In een boerderij aan de Notelaerdreef wordt een zoon geboren. De familie Perremans-Landuyt is fier en vader Petrus Juliaan “Janus” Perremans (°1857-†1937) zegt meteen: “Da ziet er me wee ne keirel uit” . De jongen groeide op en dat men van Eduard al vlug de Wètjes maakte is niet verwonderlijk. Het was in Hingene de gewoonte dat in die tijd iedereen een bijnaam kreeg. Maar een naam als de Wètjes zal men niet vlug vergeten, want achter deze naam schuilt een markant figuur, in elk dorpscafé en elders bekend. Iedereen kent de Wètjes ’, maar niet iedereen weet wat hij allemaal heeft meegemaakt. Met Eugenie Roosemont (°1896-†1994), zijn vrouw, waarmee hij 57 jaar getrouwd was. Een echte Hingenaar , vol vitaliteit en verhalen, want vertellen, dat kon hij als een échte meesterverteller . Pintjes drinken ook, maar daar kon zijn vrouw meer over vertellen. De Wètjes vertelt “We waren thuis mee zes. Drie zoons en drie dochters. Ik was de joengste. Mijn ouders waren getrouwd in 1886 op 17 juli. Julianus ‘Janus’ Perremans mee Coleta Landuyt . ’t Was nen harden tijd. Vol tegenslag. Ik weet nog hoe twee van ons stierven aan de kroep . De twee lijkjes werden naar het kerkhof gevoerd mee ne krowagen, mijn vader d’erachter. Moeder stierf aan de Spaanse griep , mijn nonkel op ‘den hink’ ook. Gans ons huishouden was getroffen. Ik kreeg het ook. We lagen samen boven op de zolder, maar ‘k aa een fles meegepakt van de Duitsers. Die aa’k gejat aan de boten, allee de Duitsers hadden z’achtergelaten. En da was een fles mee een goedje waar da ze de soldaten mee naar ’t front stuurden. Na aak dae aan geslurpt zonder da ons vader da wist, want da mocht ni. Mijn bruur wou niet drinken. Den doktoor Van den Abbeele kwam tun bij ons en die zaa: “Die joengste is er erg aan toe, dae zal ni veul ni mee aan te doen zijn”. Den doktoor was z’just vertrokken as ik ze beneeje hoorde spek bakken en dan rook ik dat allemaal. Da spek en die boter. Ik wipte as nen haas uit mijn bed en ging naar beneje. Daer em ik gefret en gedroenken, da spek en die melk dee mij goe. Den doktoor die komt terug binnen, hij zie mij zitten en hij zegt: “Janus, hier is een mirakel gebeurd!” Nee, nee zegde ik, da’s van die fles. Den doktoor onderzocht da goedje en a zaa: “Manneke, manneke, g’at kunne dood zijn! Mae ge zijt er deur, g’et er teveul van gedroenken…” Drij uren daarna stond ik al terug oep den dijk naar de boten van de Duitsers te loeren, die geplunderd waren. ‘k At mij toch nog schoon leren gerief en ne rijzadel kunnen meepakken, waa da’k jaren lang plezier van g’at hem en ’t veurnomste ik was genezen! Mijn laatste zuster stierf in 1924 . We waren alleen, mijn vader en ik. Op zes jaar tijd vijf doden. Van den Abbeele heeft puur vijf jaar bij ons op wacht gestaan. Mijn vader is 80 jaar geworden en ik word er nu binnenkort ook tachtig, dus. Maar ’t is nog niet gedaan, ’t verhaal uit dien tijd. Na gebeurde d’er iet dat den deurslag gaf. W’hadden vijf melkkoeien. Mijn vader had ze teveel roggemeel me patatten gegeven. Twee dagen daarna stonden d’er drie koeien stijf. W’emme d’er twee moeten verkopen aan Gaston Mees van Puurs. Nu was ‘De kwaje hand’ in ons huis. De mensen aa schrik van bij ons te komme en ze meeje ons lijk de pest. Da was nen triestigen tijd.” Den bloemmeule “Toen da’k goe kon lopen nam mijn moeder me alle weken mee naar den Hink . Dae wierd tun roggebrood gebakken en tarwebrood . Op ne zekere moment trekken ze mijn schoenen uit en beginne ze mijn voeten te wassen. Ik moest het meel in ‘de meule’ betrappelen, totdat het deeg was. Da wur me daer ne pap, en ik maor springen. ‘k Em da jaren gedaan tot op den dag da’k wat te zwaar geworden was en met deeg en al door de ‘Meule’ zakte. ‘k Em tun wa ruze g’at dat ik te hard stampte, maar ja, ‘k was veul sterker geworden. Tun emme ze mij maar in een kuip gezet, den deeg daarin en ‘k was wee vertrokken, k’ em ze dikwijls willen kapot stampen, maar tees was veul te sterk. In dien tijd was ik precies nen dansende deegrol.” Raar volk in den Hink “Toen woonde er raar mannen oep den Hink. Scheile van Kakes ’, de Scheile van Pitjes ’, de Wittenbol en Leoke ’. Bij Leoke had het gebrand. Zijnen ezel was er in gebleven. d’En ene brand volgde oep den andere. Den helft van den Hink is tun afgebrand en da ei niemand ooit kunnen zegge wie dat dat uitstak. Ik heb het in Hingene tot drie keer weten branden bij dezelfde. ’t Ging er tun warm aan toe hé. Op ne kermis brandde ’t orgel en de tent van de ‘ Jekke van Ruisbroek ’ af, is daar gedanst geweurre.” De schietpartij “In ’t jaar 1908 , ik was 12 jaar, is er op ’t Heiken een schietpartij geweest. ’t Was tun de gewoonte da’s ze bij diegene die aanhield, een voddenwijf op ’t dak staken. Na ’s avonds en ’s nachts werd er over en weer gelopen mee potten en pannen. Da voddenwijf bracht zoveel volk op ’t straat dat er wel eens ambras zou kunnen komen. Den börger verwittigde de gendarmerie van Bornem . Nu wil dat lukken dat juist die nacht vier personen, die van Weert kermis kwamen, nogal luidruchtig de straat doorliepen. De gendarmen die dachten de daders gevonden te hebben, begonnen te schieten. Ze werden overhoop geschoten. De mensen schoten wakker en begonnen te roepen. De gendarmen werden bekogeld mee stenen en hun kepie werd afgeslagen. Er werd weer geschoten. Twee andere personen werden geraakt, waarvan er ene levenslang gebrekkig gebleven is en da voor het doodschieten van mensen die er niets mee te maken hadden. De volgenden dag werd de wijk ontruimd, de blaffeturen gesloten en er kwam een wedersamenstelling. Nu moest ik juist op dien dag bier gaan dragen naar mijn vader en nog ne werkman die waren gaan koren pikken, ik moest de barricade door en ik em alles gezien. Da zal ik nooit vergeten. Van “ wettige zelfverdediging ” was hier geen sprake meer. Da vergeet ik nooit meer.” Den ezel van mij noenkel “Na es iets anders. ‘k Em altijd, as ik joenk was, geire petten uitgestoken. Na nog, mae van mij zijn ze dat al gewoon. Mijn noenkel, die in den Hink woonde, die had nen ezel. Ik was ne joenge kerel en ik moest mee gaan helpen aarde open te voeren op ’t land. Na zien ik uit de grond ne grote pier komme, ‘k pak hem vast en ‘k steek die in den ezel zijn oor. Wat da ne mens toch allemaal uitstékt as em joenk es hé. Dien ezel begint te slagen mee zijnen kop en begint te rollen. Twee mannen die daar wa verder stonden te spetten, komme toegelopen. Maar op da moment knip ik die pier terug tussen mijn vingers en ’t was gedaan, maar nog ni genoeg. Den ezel stond maar sjust stil en ‘k pakte nen errebol (marbel) en stak em in ’t zelfde oor. ’t Spelleke begon weer maar na sproengen die twee mannen op déen ezel en trachten hem te kalmeren. Dien errebol rolt uit dat oor en ’t was over. Zoiet had ik nog nooit gezien en zij ook niet. Ik zwoer het nooit meer te doen. Lijk da gevalleke mee dien hond. Er was ne loëdgieter niet ver van ’t school, Fonske Kal genaamd. Allerhande misplaatse grappen werden daar uitgehaald. Ne zekere dag komt er nen hond over den hof gelopen. Fonske Kal pakt die vast en giet die een pikkend goedje tegen zijn achterste. Die dee zo lelijk, da z’em in de wal emme moeten smijten. De veearts werd er bijgehaald en die vroeg: “Wie heeft er da beestje iets misdaan?” Later heeft ‘Fonske Kal’ mij gezegd wat het was, maar ik wil het niet zeggen, want ik wil geen aanleiding geven voor zulke wandaad.” d’Officierenkamer “In 1912 reed ik mee met de vader van meester Raes naar Sint Amands. Met het paard. In Sint Amands werd Kake Deckers gevierd, 100 jaar! De meester verbeeldde nen edelman en moest op dat paard gaan zitten. Nu was dat nen volbloed . De meester had schrik en wilde d’er niet op. Ik was er ni benaat van en wipte op dat ros, en reed den Dries over. Daar kwam ik ’t Boereke tegen mee een kalm pjeit. We verwisselden en ik terug. “Zie na, de Wètjes heeft da paard getemd!” En mijnen naam was gemaakt, ze kenden ‘de Wètjes’. Dertien jaar later trouwde ik met ne Roosemont, en ‘k zit er nog mee. Vijftig jaar is nu reeds voorbij en af en toe moet ik nog in “ d’officierenkamer ”. Da bier altijd maar. En ’t zal ni beteren, maar toch zien ik ze nog zo geire as vroeger.” ’t Vliegtuigske en de klamme broek “Den oorlog was z’just gedaan. 1918 . Na de wapenstilstand landde d’er aan ’t fort van Liezele een klein vliegtuigske . Ik was juist in den omtrek aan de Wolf . Veu wa geld mocht je een toerke meevliegen. D’er was veel volk. Mijne kameraad durft niet. Ik vroeg het aan de piloot en ’t was in de sjakosj. k’ Had nogal ne grote mond daar boven in de lucht en de piloot begon wa “toerkes” uit te halen. Ik hield mijne adem in. Na boven den toren van Puurs draait die zijn eigen gewoon andersom. Dat had ik nog nooit meegemaakt. Mee mijn benen omhoog zo hoog in de lucht. Ik voelde iets in mijn broek en ‘k had prijs. ’t Was erin, van de schrik. As ik beneeje kwam, em ik daar achter een haugske gezet, mij wa geswanjeerd mee gras, maar iemand had me toch gezien. “Hé mannen, de Wètjes ei in z’n broek gescheten!” Toen ik in ’t café kwam bij Pier Vink was ’t al geweten. Wètjes , da’s toch een kunst joenge, zo mee uw benen omhoog?” Eén ding is zeker, mee die piloot vloog niemand niet meer mee en ‘ Jan Tournée ’, mijne kameraad, een beestenkoopman, zeker niet.” Den opgezette haas “Het was in het jaar 30 . Ik was mij aan ’t scheiren. Opeens wordt er op mijn deur geklopt Wètjes , Wètjes , den börger ij nen haas geschoten, hij is gerokt maer ni dood, en ij zit in awen hof in de rapen…” Ik kon hem geloven. Half geschoren, mee mijn geweer den hof in, ‘k zei tegen die man “as ‘g em schiet, krijgt ge den helft…” “Ginder zit hem” roept hij. Ik d’er op af. Vanop 30 meter: knal! Hij vloog zeker ne meter omhoog. ‘k Zeg ja, ik heb em. Ik was nog gene meter van af of ik hoorde daar schetteren van ’t lachen achter d’haug. De koppen kwamen tevoorschijn. Ik spring op dien haas en dan voel ik het… ’t was nen opgevulde. De kop van den Bammer werd als maar rooier van ’t lachen en ik altijd maar blauwer van koleire. Terug naar binnen. ‘k Zeg tegen mijn vrouw “Vandaag gon ik ni noar de mis in Hingene”. Ze zullen nogal lachen. Maar allé, ik ging toch, en onderweg kom ik de Van Praet tegen ( Antonius Florentinus Van Praet (°1869-†1941), de vader van den biersteker Tore Van Praet ’), hij zei: Wètjes , ge zie zo wit”. Die wist er ook wa van. Wètjes zei hij “ge, zijt al den derde in ’t straat”. En ik zo gelukkig da’k niet den enige ni was. In ’t dorp staat den Bammer mee zijn maten daar te lachen. Ik roep: Bammer , ’t was erop, maar hij is wa droog uitgevallen, ‘k kom straks oem ne kilo spek”. Ik kwam in de kerk, maar iedereen wees naar mij van “’t zal u wa kosten…”. ‘k Was rap buiten. De Zwaan in. Den börger stond daar mee Minnebo , den boswachter . De börgemiëster zei: “Wètjes, ik wist ni da ge zo onnozel waart. Nen echte jager schiet gene haas in zijn leger. Nen echte jager geeft dien haas eerst ne schop, laat ‘em 20 à 30 meter lopen en schiet dan”. Ik zei: “Börger, ik hem meer zekerheid voor te schieten as ze liggen, dan als ze lopen…” “g’Hebt ook gelijk” zei de börgemiëster “We zwijgen d’erover.” De Sponskes “Jagen heb ik bijna altijd gedaan. ‘k Was in d’open lucht en ‘k had veel beweging. Mee den börgemiëster ( Willem Jozef Jeroom Van Kerckhoven °1889- †1972) heb ik altijd toen in den ambras gelegen, alhoewel da’k niks misdee, maar ’t was genoeg om mee uw geweer door de Notelarendreef te rijden om lastig gevallen te worden door hem, want hij dacht altijd: “dien heeft iets uitgestoken”. Nu had ik ‘em al een ganse week tegengekomen in de dreef en ‘k dacht: “Wanneer gaat ‘em nu es stoppen?” ’t Was in den tijd van de verkiezingen. Nu, op mijne velo had ik achteraan een pakske gestoken mee sponskes van de P.V.V. waarop stond Weg met Lefèvre ”. ‘k Had er zo een honderdtal gekregen en ik ermee weg, naar de Notelaerdreef . Ik reed nog maar juist de dreef in, of daar kwam hij afgedraaid, met naast hem Gust de garde ’. Den Buick schitterde in de zon. ‘k Zeg “As em da pakske zie, zal hem mij wel doen stoppen…” En waarachtig, hij rijdt juist naast mij, bekijkt mij van kop tot teen, draait zijn raampje open en zegt: Wètjes , stoppen…” Ik was nochtans in regel. Ik reeds rechts en mijn geweer was ontlaad. “In naam der Wet, doe da pakske open” zegt den börger tegen Gust de garde ’. Gust stapt op me toe en trekt da pakske open. Mijn hart bonsde tot in mijn keel. Ineens springen al die sponskes daaruit. De börger die ziet da en begint te vloeken “Waarom doe ge da?” En ik antwoord: “Da’s om mijn zweet mee af te kuisen, börger”. Zie, da moest ge gezien emme. De garde wipt terug in den auto, die stak zijn vingers in zijn oren want hoe da wij mekander daar verweten hebbe… De garde is daarna nog bij de Procureur moeten komen, want hij mocht dat pakske zonder mijn toelating nie opengedaan hebben. Hij is er nog kwaad veur.” Processen De commandant hier heb ik nog doen verplaatsen. Ik reed met mijn paard en kar langs de Wallekant . De commandant kwam langs den andere kant gereje mee zijne velo, in burger, mee een pak selder en paraa op zijn stoeltje. Ik bezag hem goe, want ik wist van waar hij d’er mee kwam en lachte binnensmonds. Twee dagen daarna moest ik verschijnen te Mechelen. De commandant beschuldigde mij van openbare belediging . De voorzitter vroeg of ik soms ni gelachen had, mogelijk wel. Awel, ik kreeg 5 Frank voorwaardelijk . In alle dagbladen stond toen Eduard Perremans werd veroordeeld wegens smaad door blik ”. Da grapke was tot in Mechelen gekend. Mee diezelfde commandant heb ik nog last gehad toen mijn distels op den dijk niet waren afgekapt, volgens hem. Of toen ik naar de Procureur schreef dat hij in ’t café aan ’t dansen was mee een madammeke die zijn kepie op had. Da was d’olie op ’t vuur. Hij is toen verplaatst.” ’t Pjeit van Wètjes Ik heb altijd van paarden gehouden, want zo eentje lijk ’t mijne dat is er op den hele wereld ni meer. Het beest is nu dood. Iedereen kent het. ‘k Heb er alle vieringen mee opgestapt en veel plezier aan beleefd. Het was 36 jaar als het stierf. In 1952 had ik het gekocht bij Leonneke Lichaam in Bornem . Da was een “ pjeirke ” man, dâân kon ploegen lijk den beste. Maar ja, ’t is nu dood, he en ‘k heb er verdomme spijt van.” Politiek “Daar kan ik nen boek over schrijven. Elk jaar las ik mijnen brief veu aan de gedenksteen van de gesneuvelden , juist na den börgemiëster . Maar daar wil ik nie veul over zeggen. Vroeger goei vrienden geweest, dan langen ambras, tot de laatste twee jaar voor hij stierf, toen hebben we vrede gesloten.” Gemeente Hingene, nauw aan het hart Hingene is één van de mooiste gemeenten uit onze streek en dat moet zo blijven. Ook na die fusie. Da’s hier maar niet beginnen mee een parkeerterrein en een basketplein rond de kerk. Schone dingen van vroeger staan tegenwoordig in een museum of in zo van die peperdure culturele centra . Da’s zo in, tegenwoordig, maar het kost veel geld en ’t is niet altijd even mooi. Da van Hingene dat staat nog, ’t is een schoon gebouw. Het valt niet uit den toon. Maar als ge beziet wat sommige gemeenten van hun dorpskernen hebben gemaakt. ’t Is om te huilen. En al dat beton. Er zijn zo’n schoon kasseiwegskes , alhoewel ze die eens moeten goe leggen. Dat wel, maar t’is allemaal veel mooier dan zo’n brede asfaltbaan waarover de auto’s in volle vlucht ‘t dorp in “vliegen”. En dan gaan ze uit den bocht en dan moeten de bomen nog weg ook… voor die auto’s. Dat ze van Hingene mee hun handen afblijven, maar ’t is allemaal om werk te scheppen in de winkel en de hoge pieten moeten d’er wat achter verdienen. Neen, Hingene moet zo blijven. Het kasteel zou moeten gerestaureerd worden en dan nog liefst mee een beetje zin voor goeie smaak dat ze ’t niet verknoeien. De verlichting kan hier en daar wel wat bijgewerkt worden en de straten, zolang het maar het “uitzicht” van de gemeente niet veranderd, er wordt al genoeg geknoeid tegenwoordig. Hingene is schoon genoeg . Er zijn weinige gemeenten waar de natuur nog zo onaangetast is! Want moest men Hingene veranderen, verandert de mens en is er van een Hingenaar geen sprake meer, want zoals het nu nog is, is het nog gezellig. Sommigen gaan dat dan weer oppeppen en trachten er een kunstenaarsdorp van te maken. Onze eigen mensen zouden maar niet te veel water in hun wijn moeten doen als ze elke zondag die sjieke rijkeluislees voorbij hun deurtje zagen zweven. Het zou worden als Weert, waar een Weertenaar hoe langer hoe meer een “toeristische bezienswaardigheid” begint te worden. Maak van onze mens geen ZOO-dier. En da’s ze maar vlug nen nieuwen boom in ’t dorp planten.” Boek “Waarom schrijft ge geen boek, Wètjes?” Daarop antwoordt hij al lachend “Maar joeng, dat zou veel te lank duren en ’t zou veul te veul worden. ‘k Kan het allemae ni vertelle. Richard De Wachter es er es willen aan beginne, maar k’ heb em gezegd dat ‘k ‘et ni graag had, want ‘k gon liever de geschiedenis in als een legende. De legende van ‘de Wètjes’, die dan nog waar gebeurd is ook. Pol Le Roy (°1905-†1983) was ook één van mijn vroegere vrienden, hij was nen denker , ne schrijver . Ik ben ne verteller en kom graag onder de mensen, lach al eens graag en drink graag een pintje. Da’s mijn leven. Ik ben gelukkig getrouwd en zie mijn Eugenie nog zo geire as vroeger… en da’s ’t voornaamste”. Eduard Juliaan Perremans overleed op 85-jarige leeftijd in zijn Hingene op 28 augustus 1982 . Zijn lief vrouwke Eugenie zag Wètjes weer op 18 april 1994 . De verteller van Hingene kon “zijn” verhalen weer uitvoerig aan Eugenie vertellen. Kwartierstaat stamboom van Eduard Juliaan Perremans Grootouders langs vaderskant Petrus Joannes Perremans Geboren op 1 december 1801 te Hingene, overleden op 14 april 1861 te Hingene. Gehuwd op 24 juni 1855 te Hingene met Maria Anna Anné Geboren op 9 maart 1818 te Hingene, overleden op 7 juni 1898 te Hingene. Grootouders langs moederskant Petrus Franciscus Landuyt Geboren op 1 november 1805 te Hingene, overleden te Hingene op 28 mei 1878. Gehuwd op 22 juli 1840 te Hingene met Maria Regina Brigitta De Wit Geboren op 31 januari 1808 te Hingene, overleden te Hingene op 7 april 1888. Ouders Petrus Juliaan Perremans Geboren op 1 april 1857 te Hingene, overleden te Hingene op 28 maart 1937. Gehuwd op 16 juni 1886 te Hingene met Maria Coleta Landuyt Geboren op 19 oktober 1851 te Hingene, overleden te Hingene op 27 november 1918. Startpersoon Eduard Juliaan Perremans Geboren op 29 december 1896 te Hingene, overleden te Hingene op 28 augustus 1982. Gehuwd op 9 november 1925 te Opdorp met Eugenia Joanna Roosemont Geboren op 2 september 1896 te Opdorp, overleden te Hingene op 18 april 1994. Bron(nen): Krantartikel uit 1975; Herkomst niet nader te bepalen jefparedaens.be/kleinbrabantse_databank
Bestuurders van FC Hingene Voorzitter Eduard ‘Wètjes’ Perremans en Secretaris Maurice Claesen Bron: Ludwig Bovijn - Facebookgroep Een hart voor Hingene-Wintam-Eikevliet
2012-2026